Toen op 9 september 1942 de Noordoostpolder officieel droog werd verklaard, begon het inrichten van het landschap. Vele pioniers trokken, eerst vanuit de kampen rondom de polder en later ook vanuit kampen in de polder, het nieuwe land in om het doel, het verwerven van nieuwe cultuurgrond, te verwezenlijken. In de polder vonden zij, naast vergane schepen en vliegtuigwrakken, de resten van de Kuinder burchten. Ook werden bij Kuinre de overblijfselen teruggevonden van de Kuinder Schans die in 1675 door de Münsterse troepen was veroverd en verwoest. Eén van die overblijfselen was de waterput en hier begint het verhaal van de Kuunderse Klonten.
Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog waren de pioniers bezig alle “oude rommel” netjes op te ruimen om zoveel mogelijk land geschikt te maken als cultuurland. Eén van die pioniers was Jos Rommens die, net als de andere pioniers die wat bijzonders vonden, wel eens wat mee naar huis nam. Zo belandden de stenen van de put van de Schans van Kuinre bij de familie Rommens in Marknesse. Via Jos kwam één van de stenen terecht bij collega pionier Henk te Raa uit Nagele die de steen op zijn beurt aan zijn zoon Harrie in Blankenham gaf. Omdat Harrie vindt dat die steen in Kuinre thuishoort, heb ik de steen gekregen om er een mooie plek voor te zoeken. Enkele stenen van de put zijn in bezit gekomen van diverse oude pioniers maar het merendeel ligt nu bij Museum Nieuw Land in Lelystad. In die met zand gevulde put werd ook een dichte fles gevonden waarin een papier bleek te zitten met daarop, in Oudspaans, een beschrijving van de omgeving en een recept. Deze teksten heb ik met wat moeite kunnen vertalen. De eerste tekst beschreef de omgeving van Kuinre als nat en modderig en de rest bleek te gaan over een soort gemalen en gekruid vleesrecept.
4000 g carne magra de ternera picada, sal de ajo, perejil etc. Omdat de HVIJ elk jaar ter gelegenheid van het Kerstrondje een gerecht, gemaakt volgens een oud recept, presenteert aan de bezoekers, is dit oude recept op 19 december 2015 gebruikt. Aangezien de fles is gevonden in Kuinre en de omgeving van Kuinre als nat en modderig werd beschreven, is aan dit gerecht de naam Kuunderse Klonten gegeven. Daarbij moet worden opgemerkt dat “kluiten” in Kuinre en omgeving “klonten” worden genoemd.

Het recept van de Kuunderse Klonten
In het recept werden grote hoeveelheden genoemd, waarschijnlijk omdat er voor vele manschappen werd gekookt. Het staat u vrij om de hoeveelheden aan uw eigen situatie aan te passen. Omdat niet alle genoemde ingrediënten exact te vertalen waren, is geprobeerd nu verkrijgbare en vergelijkbare ingrediënten te vermelden.
Recept:

  • 4 kilo gehakt
  • 6 eieren
  • 2 rollen beschuit
  • 10 sjalotten
  • 2 bolletjes (geen teentjes!) knoflook
  • tijm, peterselie, munt, oregano, kerriekruid, peper, zout
NB: bedoeld is het kerriekruid, Helichrysum italicum. Niet het - vaak scherpe - kerriepoeder, een gemengde specerij met o.a. blad van de kerrieboom. En beslist ook niet te verwarren met de sierheester Kerria japonica! Alle ingrediënten worden zo nodig fijngemaakt en gemengd met het gehakt. Daarna kunt u er ballen van de door u gewenste grootte van rollen en braden als gehaktballen. Zoals u hebt gelezen, gebruikten de Spanjaarden in Kuinre kruiden die in die tijd hier niet bekend waren. Waarschijnlijk werden die meegenomen uit hun vaderland of tijdens hun tocht naar het noorden verzameld. Op die manier waren ze toen in staat hun voedsel meer smaak te geven dan de mensen uit Kuinre zelf. In deze tijd hebben wij weer wat voor op de Spanjaarden. Wij hebben gehakt van André Mulder! Namens de HVIJ wens ik u smakelijk eten.
De steen uit de waterput.

Naschrift:
Dit verhaal bevat een groot aantal feitelijke en historisch juiste gegevens. Een ander deel van het verhaal “had zo kunnen zijn”.

Kuunders Kwartiertje mei 2016

In het Kuunders Kwartiertje van december 2015 staat een artikel geschreven door ir. Y. Kroes (†). Deze artikelen zijn in 1997-1998 geplaatst in ons kwartaalblad De Silehammer en door ons integraal overgenomen, afgezien van duidelijke verschrijvingen. Naar aanleiding van dit artikel kregen we een reactie van de heer Daan Verhulst uit Steenwijk. Het gaat om onderstaande alinea:

Gereformeerden (synodaal)
De gereformeerden hadden weer eens de beschikking over een eigen kerkgebouw, doch deze groepering was betrekkelijk klein van omvang. Na de oorlog is het kerkje afgebroken en is er een woonhuis voor in de plaats gekomen. De gereformeerden kregen toen de beschikking over een kerkgebouw in het Vijverpark doch heeft dit overgedaan aan de RK-parochie toen deze niet meer terecht kon in de Sint-Nicolaaskerk. De gereformeerden hebben vervolgens aansluiting gezocht bij hun geloofsgenoten in Luttelgeest en gingen daar ter kerke.

De heer Verhulst schrijft het volgende:
“Na de oorlog werd hun kerkje afgebroken en is er een woonhuis voor in de plaats gekomen.” Welnu, het eerste is juist, het tweede niet. Dat perceel ligt zelfs nu nog braak. Ga maar na. Op nummer 111 woont Van den Akker. Het volgend nummer is 115 en daar woont de familie Paulusma. Mijn ervaring is de volgende. Toen ik in de jaren vijftig in Kuinre verbleef, stond naast 111 het kerkje. Daarnaast een oude schuur met landbouwmaterialen van de fam. Oosting (Jenne en Jaap). Daarnaast is op 115 de fam. Lebbink. Ik weet nog dat het kerkje werd gesloopt, want op 111 woonde een oom van mijn vrouw, wiens tuintje ik altijd onderhield. Toen het kerkje weg was, mocht ik ook die ruimte voor hem bewerken. Het enige wat werd gebouwd, was een erker of serre aan de zijgevel van Lebbink, die er meen ik nog is. Kortom, die twee percelen zijn nimmer bebouwd. Ik denk zelfs dat er ook nu nog op gebouwd mag worden, tenzij ze verkocht zijn aan de bewoners van 111 en 115.

In MFA De Botter hangt een plaat met alle huizen/bewoners rond 1942. Gemaakt door Abele Wietsma. Daar staat duidelijk op dat de Gereformeerde kerk aan de straat stond en daarachter een huis van de postbode en koster Albert Pereboom. Op het perceel waar nu de serre is van fam. Pau-lusma stond de schuur van fam. Oosting. Nadat deze is afgebroken, heeft de heer Lebbink zijn eigen perceel vergroot door dit stuk erbij te trekken. Het perceel dat nu gras is naast nr. 111 wordt door de heer Van den Akker gehuurd van de gemeente.

Kuunders Kwartiertje februari 2016

Bestuur
In 1811 ontstond de gemeente Kuinre en Blankenham onder leiding van een schout. Zeven jaar later werden Blankenham en Kuinre afzonderlijke gemeenten met gezamenlijk één burgemees­ter, dus een soort “personele unie”. Evenals andere gemeenten werd Kuinre bestuurd door het gemeentebestuur met aan het hoofd de burgemeester. Het secretariaat van de gemeente was ondergebracht in een oud historisch gebouw, voorzien van toren, torenklok en wijzerplaten, gebouwd in 1776. Oudtijds had het onderste gedeelte van het gebouw dienst gedaan als boterwaag. Het gemeentepersoneel werkte op de eerste verdieping, waar ook de burgemeester zijn kamer had. De enige politieman die het dorp telde en die zorgen moest voor orde en rust kwam dikwijls een kijkje nemen op het gemeentehuis, eventueel voor rapportage en instructies. De gemeente had twee man in de buitendienst, die zeer belangrijke werkzaamheden verrichtten. Zij hadden tot taak om van het hele dorp het huishoudelijk afval inclusief de faecaliën (men had nog het tonnetjessysteem) door middel van een tweewielige kar naar de “keviet” te brengen; een afgesloten stortplaats aan de Linde tussen Kuinre en Slijkenburg. Behalve dat het onaangenaam werk was, was het tevens zwaar werk. De kar werd door één persoon door middel van een zeel getrokken terwijl de ander moest duwen en sturen. De twee mannen waren niet alleen verantwoordelijk voor verwijdering van het huishou­delijk afval, doch ze moesten ook de straten schoon houden, veelal met verwijdering van het gras dat tussen de stenen groeide. Eén van hen was bovendien dorpsomroeper en verzorgde nog het noodzakelijk onderhoud van de algemene begraafplaats. Veel mensen hebben dikwijls de overtuiging gehad dat deze belangrijke te verrichten werkzaamheden door deze mannen niet altijd naar waarde werden geschat.

Kerken
In Kuinre waren drie kerkgenootschappen.
Nederlands-hervormden
Deze protestants-christelijke groepering was de grootste in omvang en de kerkdiensten werden (en worden nog steeds) gehouden in een groot ruim oud kerkgebouw dat gebouwd is 1678-1681. Het interieur van de kerk was betrekkelijk eenvoudig, doch stijlvol. De bewerkte houten preekstoel bevond zich aan de westzijde van de kerk, een gedeelte waar zich ook het doopvont bevond alsmede de banken van het kerkbestuur en de diakenen. Dit gedeelte van de kerk was afgesloten door een houten hekwerk. Een tweetal bewerkte gebogen koperen poortjes gaf toegang tot dit kerkgedeelte. Aan de oostzijde bevond zich de consistoriekamer en het orgel. In de kerk zelf waren ter decoratie drie handgemaakte modelschepen opgehangen die uiteraard tevens de verbon­denheid van het dorp met de zee- en scheepvaart symboliseerden. De kerk is in 1985/86 gerestaureerd en doet dienst als vanouds. De predikant woonde in de pastorie, een flink herenhuis ongeveer midden in het dorp [nog steeds: Henric de Cranestraat 107 – red.].
Rooms-katholieken
Begin negentiende eeuw had de rooms-katholieke parochie een kerkgebouw op het Noordeinde van het dorp. Deze kerk heeft nogal veel schade opgelopen bij de stormvloed van 1825, doch is na het nodige herstel in gebruik gebleven tot 1870. In dat jaar kwam na vrijwel volledige nieuwbouw een kerk tot stand gewijd aan de heilige Nicolaas. In veel plaatsen gelegen aan de Zuiderzee zijn kerken gebouwd die gewijd zijn aan Sint Nicolaas, de beschermheilige van o.a. de zeevarenden. De rooms-katholieke parochie had in Kuinre een behoorlijke grote omvang mede ook doordat een flink aantal mensen van buiten het dorp, met name van de Overijsselse Lindedijk en aang­renzend Friesland, bij de parochie behoorden. De kerk was ten dele achter de nogal statige, mooie pastorie gebouwd, die zelf aan de straatzij­de stond. De kerk had een flinke omvang. De bewerkte houten preekstoel bevond zich aan de westzijde, het nogal omvangrijke altaar aan de zuidzijde. Achter een met smeedijzeren hekwerk afgesloten ruimte was plaats voor het doopvont en enige relikwieën. Aan de noordzijde was het orgel geplaatst. Naast meerdere kandelaren en beelden o.a. van de heilige Nicolaas, bevonden zich aan de wanden van het kerkgebouw diverse schilderijen die de kruisgang van Christus in meerdere staties weergaven. Het kerkgebouw kon van de straatzijde worden betreden via een hoog ijzeren hek en een zeer zwaar beslagen dikke houten deur. Links van de toegangsdeur was een groot raam aangebracht met voorstellingen in gekleurd glas-in-lood. De kerk zelf was voorzien van een toren met wijzerplaat, luidklok en een vrij hoge torenspits. Het geheel gaf een zeer positieve bijdrage aan het dorpsbeeld. Tegenover de kerk en de pastorie was een uitgebreide tuin aangebracht met bomen, struiken en bloeiende planten, waar de pastoor desgewenst uitgebreid kon brevieren voor de voorbereiding van zijn kerkdiensten. Helaas zagen het kerkbestuur en de parochie zich genoodzaakt uit zorg voor te verwachten zeer hoge onderhoudskosten op korte termijn kerk en pastorie van de hand te doen, met inbegrip van vele onderdelen van het interieur. Dit was omstreeks 1970. Momenteel houdt de RK-parochie diensten in een kerkgebouw in het Vijverpark [inwijding 1 oktober 1969 door kardinaal Alfrink - red.].
Gereformeerden (synodaal)
De gereformeerden hadden weer eens de beschikking over een eigen kerkgebouw, doch deze groepering was betrekkelijk klein van omvang. Na de oorlog is het kerkje afgebroken en is er een woonhuis voor in de plaats gekomen. De gereformeerden kregen toen de beschikking over een kerkgebouw in het Vijverpark doch heeft dit overgedaan aan de RK-parochie toen deze niet meer terecht kon in de Sint-Nicolaas kerk. De gereformeerden hebben vervolgens aansluiting gezocht bij hun geloofsgenoten in Luttelgeest en gingen daar ter kerke.
Zondagsschool
Naast de genoemde kerkgenootschappen willen we ook de Zondagsschool noemen die onder leiding stond van met name de familie Jan Ruiter. De Zondagsschool was ondergebracht midden in het dorp in een nogal oud woonhuis, dat voor een deel nog bewoond was. Vrijwel alle jongeren van niet RK-huize gingen zondagsmiddags naar de Zondagsschool. Om toegelaten te worden moesten de kinderen ten minste vier jaar en maximaal dertien/veertien jaar zijn. De familie Ruiter heeft belangeloos zich grote offers getroost, gedurende vele tientallen jaren om iedere zondagmiddag diensten te houden voor de kinderen, gesplist in een groep jongeren en een groep ouderen. Met grote inzet, overtuiging en toewijding werden de kinderen beziggehouden. Daar ook alle werkzaamheden die verbonden waren aan de jaarlijkse organisatie van het kerstfeest, en wel gedurende twee avonden, uitgevoerd werden door de familie Ruiter, dan past hier, zij het postuum, een woord van grote dankbaarheid en lof aan het adres van deze familie.

School
In het dorp Kuinre stond één school, een openbare lagere school waar alle kinderen van alle kerkelijke richtingen naar toe gingen. Het gebouw was langgerekt van vorm en was geplaatst in het noordelijk gedeelte van het dorp. Er waren drie volledige leerkrachten die ieder de beschikking hadden over een eigen lokaal. Het aanwezige vierde lokaal had diverse andere bestemmingen.

Elektriciteit Een medewerker van de KEMA heeft mij gewezen op het feit dat in het gedenkboek “De ontwikkeling van de electriciteitsvoorziening van Nederland tot het jaar 1925” vermeld wordt, dat door het leggen van een kabel van Hengelo via Oldenzaal-Fleringen naar Almelo tevens gelegenheid was geboden tot stroomlevering aan Weerselo, Denekamp en Tubbergen, welke plaatsen evenals Blokzijl, Staphorst, Nijeveen, Havelte “en Kuinre in 1922 werden aangeslo­ten”. Voor stroomleverantie zorgde de NV Elektriciteitsfabriek “IJsselcentrale” te Zwolle. In een schrijven van april 1922 aan Burgemeester en Wethouders der Gemeente Kuinre wordt door de IJsselcentrale een exploitatierekening betreffende de eventuele ombouw en het in bedrijf nemen van het bestaande elektriciteitsnet van de gemeente in aansluiting op het net van de IJsselcentrale, aangeboden. Kuinre had dus reeds elektriciteit in 1922 en ook al elektrische straatverlichting. De IJsselcentrale biedt aan om een hoogspanningsinrichting met transformator op te stellen in de weer in goede staat te brengen oude centrale. Voor de straatverlichting zullen de bestaande wandarmen benut worden. De straatverlichting zal automatisch worden ontstoken en gedoofd door middel van een schakelklok. Alle huisaansluitingen, welke in ijzer uitgevoerd zijn, zullen worden vernieuwd. In 1924 verzoekt de gemeente Kuinre bij de Gedeputeerde Staten van Overijssel vergunning te verlenen om een kabel aan te leggen in de Lindedijk voor overbrenging van elektrische stroom naar het watergemaal van het Waterschap Rondebroek. Waterleiding Drinkwater en water voor menselijk gebruik bestond vroeger veelal uit opgevangen regenwater. Dit regenwater werd geleid in gemetselde regenbakken van verschillende grootte. Aangezien lang niet alle panden de beschikking hadden over een regenbak, werd ook wel regenwater opgevangen in regentonnen, waarvan de capaciteit klein was. In droge perioden waren diverse gezinnen aangewezen op “burenhulp”, hetgeen veelal geruis­loos verliep. In het begin van de jaren twintig stond er op het pleintje voor de Hervormde Kerk aan de noordzijde een gemetselde regenbak met overkapping en met putemmer, ketting en zwengel. Deze regenbak was voor algemeen gebruik. Het is bekend dat regenwater niet altijd hygiënisch is. Niet tegenstaande het feit dat de regenbak­ken regelmatig werden schoongemaakt (althans behoorden te worden schoongemaakt) kwamen nog wel eens ongerechtigheden in het water voor, zoals de rode waterluis. Men zeefde dan het water door een theedoek en hoewel niet alle luizen werden uitgezeefd, werden vele op de wijze verwijderd. Na het zeven werd het water veelal eerst gekookt alvorens voor menselijke consumptie aan te wenden. Sommige families deden een zeelt in de regenbak om zodoende kleine dierlijke en plantaardige organismen te bestrijden. In de loop van 1931 waren de voor de Waterleiding Maatschappij Overijssel (WMO) gepro­jecteerde werken voor Noordwest-Overijssel gereed gekomen. Er moesten nog enige dienstleidingen worden gelegd en er moest te Kuinre een secundaire watertoren worden gebouwd. Hieruit kan worden geconcludeerd dat Kuinre omstreeks 1930-1931 van waterleiding is voor­zien hetgeen van grote betekenis was voor de bevolking doch ook voor de veestapel. De bouw van de watertoren in Kuinre is in 1932 aanbesteed en het gebouw is in 1933 klaarge­komen. De hoogte van de toren bedraagt 35,45 meter boven het maaiveld. Er is één reservoir in met een inhoud van 120 m3; in vergelijking met andere torens niet zoveel. De hoogste winterstand boven het maaiveld bedraagt 31,75 meter. De architectuur van de toren vertoont nogal grote overeenkomst met die van de toren van Steenwijkerwold (1931) en Sint-Jansklooster (1932). Ir. H. Sangster, deskundige in het bouwen van watertorens, was destijds “de huisarchitect” van de WMO. De kans is derhalve groot dat hij ook het ontwerp van de toren in Kuinre heeft ver­zorgd. doch daar zijn geen concrete gegevens over. In ieder geval wil ik concluderen dat de watertoren te Kuinre een sieraad is voor het dorp en positief bijdraagt aan het dorpsgezicht.

Zuivelfabriek "de Fakkel", officieel in werking 19 februari 1889 onder directie van C. Treurniet. De eerste zuivelfabriek met als proef elektrische verlichting, blijkens landelijke krant Het Nieuws van de Dag d.d. 8 juni 1889 - red. Foto uit 1913

Kuunders Kwartiertje december 2015

Kruidenierszaken
Groot was het aantal kruidenierswinkels, doch slechts een enkele familie kon allen van de winkelinkomsten bestaan. Zeer velen hadden neveninkomsten, terwijl ook gecombineerde winkels voorkwamen, zoals kruidenierswa­ren met groente en fruit. Wekelijks werd door meerderen in het dorp gevent met groenten geladen op handkarren: aardappelen, koolrapen, wortelen, diverse koolsoorten en in het voorjaar en zomer spinazie, sla, radijs, rabarber, sperziebonen en uiteraard appels en peren. In bepaalde zaken werd slechts een zeer beperkt assortiment verkocht, bijv. alleen koffie, thee en tabaksartikelen, soms uitsluitend aardappelen. Klompen waren te koop in diverse winkels. Aan klompen was een grote behoefte, want vrijwel alle bewoners van het dorp, kinderen en volwassenen, droegen klompen. Om de gebruiksduur te verlengen, werden vaak stukjes rubber van oude autobanden of stukjes oud leer aangebracht op de zolen en hakken van de klompen. In de kruidenierszaken werd een veelheid van artikelen verkocht. Belangrijke producten waren o.a. groene erwten, bruine bonen, kapucijners, meel, suiker, stroop en groene zeep. Opvallend was het grote aantal onverpakte artikelen. De winkelier moest vaak het product afwegen en gebruikte voor de verpakking veelal grauwe of bruine papieren (punt)zakken. Stroop kwam in een door de klant meegenomen strooppot. Met een houten lepel werd de stroop op handige wijze vanuit het stroopvat gericht in de pot gebracht, die op de weegschaal stond. De winkelier mikte er nooit naast! Boeren en vissers moesten regelmatig dik, sterk touw gebruiken dat in een paar winkels werd verkocht, veelal per vaam (= 188 cm). In de toonbank was een kerf aangebracht die de lengte van een vaam aangaf zodat de klant op snelle wijze kon worden bediend.

Veehouderij
Een betrekkelijk groot aantal dorpsbewoners was betrokken bij de veehouderij. Er waren in het dorp ruim twintig boerderijen gevestigd en dat bracht uiteraard een grote bedrijvigheid met zich mee. In de weideperiode voor de koeien vertrokken de boeren omstreeks vijf uur ’s morgens met paard en wagen naar het land om de koeien te melken. Men moest door het dorp dus dat veroorzaakte nogal wat levendigheid op een relatief vroeg tijdstip. In het land aangekomen werden de koeien gedreven in een melkjister (een afgesloten stukje grond waar ze gedurende de melktijd bijeengehouden werden) [jister verraadt de Friese invloed in met name het Rondebroek – red.]. Er waren ook boeren die de koeien aan de wagen vastzetten zodat rustig kon worden doorge­werkt totdat de laatste koe gemolken was. Direct na het melken ging men naar de zuivelfabriek voor aflevering van de melk. Eenmaal per veertien dagen werd uitbetaald tegen een prijs waarin ook het vetgehalte van de melk was verwerkt. Behalve dat de boeren uit het dorp en naaste omgeving zelf tweemaal daags de aflevering van de melk naar de fabriek verzorgden, bestonden daarnaast zogenaamde melkritten. De melkrijders werden betaald door de zuivelfabriek, terwijl de fabriek de kosten weer in rekening bracht bij de aanleverende boeren. Er was een melkrit naar Blankenham en één voor aangrenzend Friesland. De melkrijders hadden de beschikking over een lange grote zeer zwaar uitgevoerde wagen getrokken door één of twee paarden. In de loop van de jaren dertig werden de melkritten uitgevoerd met vrachtauto’s.

Zuivelfabriek
Kuinre was een plaats waar landelijk gezien reeds op een betrekkelijk vroeg tijdstip een Zuivel­fabriek werd gevestigd. Het exacte jaar van vestiging is mij niet bekend doch het zal omstreeks 1890 zijn geweest dat de stoomzuivelfabriek “De Fakkel” de werkzaamheden begon. [bouw begonnen in 1888, fabriek geopend 19 februari 1899; uitvoerig in De Silehamer 15/2 t/m 15/3 – red.] De verwerking van de melk op fabrieksmatige wijze tot boter en kaas betekende een grote ommekeer op de boerderijen waar tot voor die tijd alle werkzaamheden voor de productie van zuivelproducten werden uitgevoerd. “De Fakkel” was een particuliere zogenaamde ‘speculatieve’ fabriek. Uiteraard was niet iedere boer direct genegen de melk aan de fabriek te leveren, doch bleef men eerst, soms zelfs geruime tijd, de ontwikkelingen volgen. Het duurde dan ook bij veel boeren lang voordat ze besloten het eigen gereedschap voor zuivelbereiding definitief van de hand te doen. Voor Kuinre was de zuivelfabriek zeer belangrijk in verband met de werkgelegenheid. Velen vonden er een vaste werkkring. Er was personeel nodig voor de melkontvangst en de verwer­king van de melk tot boter en kaas. De boter werd verpakt in kuipen en ook in kleinverpak­king. De kazen werden opgeslagen in een pakhuis en vroegen veel nazorg. Ook de machinekamer had personeel nodig. De gehele fabriek stond onder leiding van een directeur en een adjunct-directeur die tevens de beschikking hadden over enig administratief personeel. In de loop van de jaren dertig werd de zuivelfabriek van Kuinre verkocht aan de Lijempf (de Leeuwarder IJs- en Melkproducten Fabrieken), een particuliere handelsorganisatie, die meerdere zuivelfabrieken exploiteerde, vooral in de provincies Groningen, Friesland en Overijssel. In het algemeen gingen de werkzaamheden op de fabriek gewoon door, zij het onder andere leiding. Opvallend in die tijd was dat meerdere keren per jaar op basis van de beursnote­ring voor kaas te Leeuwarden op vrijdag het fabrieksproces werd omgeschakeld van kaasbereiding tot kaasstofproductie waarmee een ander eindproduct werd gemaakt. De fabrieksleiding was zeer slagvaardig. Voor deze omschakeling van het produc­tieproces werden vaklieden ingeschakeld om in de avond en nacht van vrijdag op zaterdag de nodige wijzigingen aan te brengen.

Boerenwerk
De boeren zorgden voor veel bedrijvigheid in het dorp. De boerderijen waren van verschil­lende grootte. Er waren eenmans-, tweemans-, doch ook enige driemansbedrijven. Voor de koeien die ongeveer van eind april tot eind oktober in het land liepen, moest gedurende de zomerperiode ruwvoer worden gewonnen. De meeste bedrijven hadden de beschikking over min of meer vaste huurpercelen of waren eigenaar van veelal een deel van het land dat geë­xploiteerd werd. Voor alle bedrijven was de bedrijfsoppervlakte vaak onvoldoende om te voorzien in het ruw­voer voor de winter. Echter, jaarlijks werden diverse percelen - meerdere honderden hectares - van de Buitenpolder achter Kuinre als hooiland verhuurd. De publieke veiling vond plaats in de Nieuwstadsherberg van de familie De Lange, die een boerderij van grote omvang exploiteerde. Reeds in de zeventiende eeuw was er sprake van een herberg op de Nieuwstad. Al enige weken voor de verhuring kwamen de boeren onder spanning. Welk perceel of welke percelen zou men kunnen huren en tegen welke prijs? Meerdere dagen voor de verhuring trok men de polder in om indrukken op te doen over het grasbestand van percelen waarvoor men eventueel belangstelling zou hebben, rekening houdend met ligging en prijs. Men had de beschikking krijgen over een boekje waarin de te verhuren percelen genummerd waren aangegeven, onder vermelding van eventueel naam en oppervlakte, of het perceel bemest was en of er verhuurd werd met inbegrip van al of niet het recht van nawei­de. De verhuring zelf stond onder leiding van de notaris uit Oldemarkt, bijgestaan door een paar administratieve krachten. De veiling was in handen van de afslager. Kennelijk een veelzijdig man want hij was o.a. schoenmaker, barbier, organist in de NH-kerk en lid van het kerk- en gemeentebestuur. De percelen werden verhuurd bij afslag en vooral de prijzen van de eerste percelen waren belangrijk als koersrichting. Wanneer die wat hoog uitvielen, ontlokte dit nog weleens enige agressie uit jegens de eerste “mijners”. Een afzonderlijke openbare verhuring vond plaats van de landerijen met naweide. [Afslager: Albert Boterkooper, 1880-1970; ook raadslid 1923-1941 en 1945-1946, vanaf 1931 wethouder – red.] Spoedig na de verhuring van de hooipercelen werd door de boeren begonnen met maaien. Dat gebeurde met de maaimachine getrokken door één of twee paarden. In de zoge­naamde vingerbalk van de maaimachine was een lang mes aangebracht dat eigenlijk bestond uit een groot aantal afzonderlijke driehoekige mesjes. De hoeken en bepaalde kanten van de percelen werden in handwerk met de zeis gemaaid. Dit vereiste grote vaardigheid en routine. Ook het aanscherpen van de zeis met haarspit en hamer was een kunst op zichzelf. Na enige dagen werden de gemaaide “zwaden” met een eenvoudige keermachine gekeerd. Bij het keren werd ook nog veel gedaan met een eenvoudige houten hark, dus met de hand, en dat beperkte zich meestal niet alleen tot de hoeken en de kanten van het perceel. Om goed hooi te maken moest er veel in gewerkt worden. Wanneer het hooi op het land voldoende droog was, werden de zwaden met de hooimachine, wederom door paarden getrokken, bij elkaar gebracht tot “zwillen”, ook wel “wiersen” ge­noemd. De wiersen werden vervolgens tot oppers geteemd, wederom met paardenkracht. Het hooi werd geladen op boerenwagens om vervolgens naar de boerderij te brengen voor inschuring of om het aan een mijt te zetten. De hooiperiode duurde ongeveer zes tot acht weken, afhankelijk van de weersomstandigheden. Wanneer het geruime tijd tegenweerde, werden veel boeren uit teleurstel­ling humeurig en chagrijnig. Er werd wel gezegd dat ze “weerziek” waren. De hooitijd was voor de boeren een zeer drukke periode. De oudere boerenjongens van de lagere school kregen vaak enige weken hooibouwverlof. Sommige boeren werkten samen om zodoende op efficiënte wijze de hooioogst voor elkaar binnen te halen. Er waren echter ook boeren die ieder jaar gebruik maakten van de diensten van “losse” arbei­ders. Veelal kwamen dezelfde arbeiders jaar in jaar uit bij dezelfde boeren, zelfs van generatie op generatie. Na lange en zware dagen en zeker zaterdagsavonds werd een borrel geschonken voordat de mensen huiswaarts keerden. Ik heb wel eens het verhaaltje gehoord dat een jongetje zaterdagsavonds zijn vader kwam ophalen. Die kreeg juist een borrel en dronk die op. Het jongetje vroeg: “Vader, wat is dat?” “Och niks jong”, antwoordde die, “het is “eulie”. Daarna volgde de tweede borrel, die ook nogal vlot achterover geslagen werd, waarna het jongetje opmerkte: “Vader lust wel eulie”. Na de hooioogst moest de mest naar het land worden gebracht. Een deel van de boeren van Kuinre verkocht jaarlijks de mest aan de gebroeders Zijlstra, die beiden, onafhankelijk van elkaar, de beschikking hadden over een flink groot schip van ongeveer 170 tot 180 ton [zie deel 2 – red.]. Van te voren werd akkoord gemaakt over de prijs, waarbij uiteraard rekening werd gehouden met de grootte van de veestapel die ’s winters op stal had gestaan. De betreffende mesthopen die allen in het dorp bij de boerderijen stonden, werden zomers stuk voor stuk in het daarvoor bestemde schip geladen. De Zijlstra’s hadden ieder jaarlijks ongeveer dezelfde medewerkers in dienst, mensen die met de werkzaamheden bekend waren en die zeer goed op de hoogte waren van de zware arbeids­prestatie die moest worden geleverd. Men maakte lange dagen en er moest veel spierarbeid worden verricht, soms onder zeer zware veelal warme omstandigheden. Nadat het schip geladen was, werd veelal koers gezet naar Friesland, waar soms nog wat bijgela­den werd. Na het Tjeukemeer, Lemmer, Amsterdam werd via de Ringvaart Haarlemmermeer de bollenvelden bereikt van Hillegom en Lisse. De bollenkwekers hadden behoefte aan dierlijke mest met weinig stro er in. In de nazomer maakten veel boeren één of meer kuilhopen. Het gemaai­de gras werd in meer of minder gedroogde toestand opgetast in ronde of rechthoekige hopen. Deze werden met zoden afgedekt om de hoop onder grotere druk te zetten ter bevordering van het conserveringsproces. De bedoeling was dat het ingekuilde gras spoedig een lage zuurgraad had bereikt, zodat melk­zuurgisting zou plaatsvinden. Om dit te bevorderen, werden wel middelen tijdens het inkuilen toegevoegd zoals karnemelk, melasse of verdund anorganisch zuur, doch dit gebeurde sporadisch. Meestal werden het “warme” nogal vochtige kuilhopen waar boterzuurgisting plaatsvond en die bij het voeren ’s winters aan de op stal staande koeien in en rondom de boerderijen een nogal doordringende geur verspreidden. Niet zelden werd deze geur ook waargenomen waar veel mensen bij elkaar waren o.a. bij boerenvergaderingen. In oktober moesten de sloten gehekkeld worden [opschonen met een hekkel, een vork met haaks op de steel staande tanden – red.] Toezicht op goed en op tijd uitvoeren (vóór november) van deze werkzaamheden werd uitgeoefend door het polderbestuur. Veel boeren waren weken bezig met deze nogal zware werkzaamheden. Eind oktober, begin november kwamen de koeien en het jongvee op stal, waar ze met hooi en kuilvoer werden gevoerd. Daarnaast moest het vee worden gedrenkt; dat gebeurde met volgepompte emmers water die naar de dieren moesten worden gebracht. Soms had men voor de rijen koeien een drinkgoot aangebracht die dan ’s morgens en ’s avonds volgepompt moest worden. Kalfjes werden vooral geboren tijdens de stalperiode. De hoogdrachtige en pas afgekalfde koeien kregen een extra rantsoen krachtvoer. Het meel resp. de koeken werden meestal betrokken van grotere meelleveranciers van buiten het dorp, al of niet met bemiddeling van twee plaatselijke voerhandelaren die vooral kleinere hoe­veelheden leverden.

Werkgelegenheid
De werkgelegenheid in Kuinre was beperkt in verhouding tot de bevolkingsgroei. Regelmatig vertrokken meisjes en jonge vrouwen naar elders (veelal West-Nederland) en werden vaak hulp in de huishouding. Ook jongemannen verlieten continu het dorp en vonden nogal eens werk bij de overheid of semioverheid (douane, politie, PTT, spoorwe­gen) doch ook bij diverse particuliere ondernemingen. Sommigen kregen een soort opleiding bij de zuivelfabriek en volgden op eigen initiatief bepaalde cursussen. Meerdere medewerkers hebben elders een betere positie gevonden via de opgedane kennis op de zuivelfa­briek. Sommigen zijn op deze wijze directeur of adjunct-directeur geworden van een zuivelfabriek elders.

Kuunders Kwartiertje augustus 2015

Scheepvaart
Kuinre had via Tjonger, Linde en de Haven de beschikking over goed vaarwater en dat bevor­derde uiteraard de scheepvaart. Via mondelinge historische mededelingen is wel eens naar voren gebracht dat in vroegere tijden in Kuinre drie scheepswerven waren. Eén was gesitueerd op het Zuideinde, daar waar nu ongeveer het Sasplein is. De plaats van de andere twee is niet met zekerheid aan te geven. Mogelijk dat een tweede werf gefunctioneerd heeft in de buurt waar later de zuivelfabriek stond. Bepaalde stukken land daar in het Rondebroek droegen de naam van "Hellingstukjes". De derde helling zou mogelijk gevestigd zijn geweest een honderdtal meters ten noorden van de vroegere lagere school (hier heb ik vroeger wel eens over horen praten, doch zekerheid en aanwijzingen hierover zijn beslist zoek). [Dankzij kadaster 1832 en krantenarchieven zijn de locaties van de drie werven bekend; hierover t.z.t. meer in De Silehammer – red.] Tussen de twee wereldoorlogen waren in Kuinre een drietal ondernemingen die regelmatig wekelijkse beurtdiensten onderhielen. Fledderus voer met stoomboot de “Twee Provinciën” via Echtenerbrug en Scharsterbrug des dinsdags naar Sneek en op donderdag en vrijdag naar Leeuwar­den. Groenhof en Bremer onderhielden met motorboot “Kuinre” ’s maandags een dienst naar Steenwijk, dinsdags naar Sneek en donderdags en vrijdags ging men naar Zwolle. Steenwijk werd bereikt via Wetering en voor Zwolle voer men via Wetering, Ronduite naar Zwartsluis. De derde onderneming van de familie Ruiter had met haar boot “Excelsior” maandags een dienst op Steenwijk. De boten vervoerden o.a. zuivelproducten, vee (voor de markten te Steenwijk, Sneek en Zwolle), veevoer, brandstoffen, meel voor de bakkers en allerlei andere benodigde artikelen voor de bevolking. De firma Groenhof en Bremer doch ook de familie Ruiter had een handel in brandstoffen. Passagiers werden desgewenst ook meegenomen. Dat betekende wel dat men op een vroeg tijdstip moest vertrekken, naar Steenwijk ’s morgens om ongeveer om vijf uur. Door laden en lossen onderweg arriveerde men in Steenwijk omstreeks half negen aan het eind van het Steenwijker­diep ongeveer ter hoogte van hotel café “de Gouden Engel” van de familie Osse. ’s Middags werd de terugtocht aanvaard om half twee, om omstreeks half vijf tot vijf uur in de namiddag in Kuinre aan te komen. In de loop van de jaren dertig kregen de genoemde ondernemingen - die van beteke­nis waren voor de werkgelegenheid in het dorp - de beschikking over enige vrachtauto’s. Na de oorlog nam het wegtransport snel toe mede ten koste van de beurtdiensten met de boten. Er was nog een schip dat in Kuinre zijn domicilie had, dat was het “schutsje” van de familie Slagter. Slagter handelde in turf: baggelaars doch ook wel zogenaamde lange turf. De turf werd betrokken uit de Friese en Drentse veengebieden en afgezet bij legio vaste klanten in Kuinre. Daar het schip niet van een motor was voorzien, was men sterk afhankelijk van windrichting en windkracht. Wanneer er tegenwind was, moest het schip getrokken worden d.m.v. een lange lijn. Bij het laden en lossen van het schip werden lange zware dagen gemaakt. Op de schepen van de gebroeders Hendrik en Jan Zijlstra, respectievelijk de “Martha” en de “Zeemeeuw”, komen we in het verdere verhaal terug [deel 3 – red.]. De “Martha” had domicilie in Kuinre, de “Zeemeeuw” in Sneek. Uiteraard kwamen meerdere schepen uit andere plaatsen zaken doen in Kuinre. De scheepvaart voor Kuinre werd via de Linde helemaal onmogelijk gemaakt toen in de loop van de jaren vijftig de sluis onder de grond werd gewerkt, de Linde versmald werd tot een (stink)sloot en op het Noordeinde van Kuinre een dam in de Linde werd gelegd. De betreffende dam diende voor een betere bereikbaarheid van het Rondebroek.

Verbindingen te land
Hoewel Kuinre destijds goede verbindingen had met de buitenwereld via waterwegen waren de mogelijkheden via de wegen op het land minder goed. Voor grotere afstanden moest men de beschikking hebben over paard en wagen (sommigen gebruikten nog tot in het begin van de jaren dertig een kar getrokken door één of twee honden). Verder kon men zich verplaatsen per fiets doch niet iedereen had de beschikking over een fiets en veel mensen waren aangewezen op lopen en dit soms over nogal grote afstanden. In het begin van de jaren twintig begon Jan Oord met een busdienst, “de Eerste Kuinderse Busonderneming” (EKBO) naar Blokzijl, waarmee naast passagiers tevens de post werd vervoerd. Of de bus in het begin verder ging dan Blokzijl is mij niet bekend, doch vanuit Blokzijl kon men desgewenst met de tram naar Zwolle. In latere jaren (eind jaren twintig, begin dertig), Oord was inmiddels verhuisd naar Blokzijl, ging de busdienst beslist wel verder dan Blokzijl. Via Vollenhove, St.-Jansklooster, Blauwe­ Hand, Giethoorn was Steenwijk het eindpunt. In Blauwe Hand kon men over te stappen naar een busdienst op Meppel. In de strenge winter van 1929 ging Oord op 1 maart met enige passagiers met de bus over het ijs van de Zuiderzee naar Urk. Schipper H. Zijlstra was mee om voor de juiste koers te zorgen. Men kwam veilig aan op Urk. De terugtocht verliep iets minder voorspoedig daar men in het “bomijs” terechtkwam iets ten noorden van Blokzijl. Eind jaren twintig kwam er een busdienst in Kuinre van de firma Van der Vlugt en Timmer­man uit Oldemarkt, die via Ossenzijl, Oldemarkt, Blesse, Willemsoord ook Steenwijk tot einddoel had. De weg naar Oldemarkt was zeer matig onderhouden en zeer bochtig. Er werd vaak verteld dat vanaf de kruising Lageweg-Blankenhammerzeedijk naar Oldemarkt de weg negenennegentig bochten telde. In de jaren dertig werden in het kader van werkvoorziening vele bochten in dit wegtraject rechtgetrokken. Dezelfde firma had vanuit Oldemarkt een busdienst op Steenwijk via Paasloo, Basse, Geld­eringen en Tuk [In De Silehamer 17/1-17/3;18/1 uitvoerige artikelen over Jan Oord].

Bakkerijen
Kuinre telde een viertal bakkerijen, die in onderlinge concurrentie zorgden voor de broodvoor­ziening van de mensen in het dorp, doch er werd ook bezorgd in Blankenham en op de Overijs­selse en Friese Lindedijk. Daarnaast kwam eenmaal per week bakker Brugge uit Slijkenburg in Kuinre om enige klanten te bedienen. De bakkers hadden een zwaar beroep, ’s morgens werd zeer vroeg begonnen. De ovens werden vooral gestookt met takkenbossen, later met olie. Na het bakken van het brood werd er gevent in het dorp, niet tegenstaande het feit dat iedere bakkerij een winkel had, waar de mensen de gehele dag brood konden betrekken. De klanten buiten Kuinre werden bezocht met een zwaar uitgevoerde transportfiets met grote lastdrager op het voorwiel en aan het stuur, met daarop een grote pitrieten mand, volgeladen met broden. Het bezorgen van brood in weer en wind op deze wijze vergde veelal veel energie en grote krachtsinspanningen. In de jaren twintig kregen enige bakkers de beschikking over paard en wagen en in de jaren dertig waren er een paar die gebruik maakten van een auto. Het brood kwam grotendeels overeen met de tegenwoordige soorten. Enkele vertoonden enig verschil, zoals witte broden, die wat platter, breder en korter waren dan witte bollen. Krentenbroden, ook wel stoeten genoemd, waren destijds zeer algemeen. Uiteraard werden koekjes gebakken en veelal op bestelling taartjes of taart. Vermeldenswaard is wellicht dat sommige klanten kleine zakken met in schijven gesneden appels naar de bakker brachten om te laten drogen bij de oven. Die gedroogde appelschijven werden gedurende de winterperiode gebruikt bij de middagmaaltijd.

Slagerijen
Er waren in Kuinre drie slagerijen voor rundvee en varkens. De verkoop vond vooral plaats in de winkel, ook werd er uitgevent. Naast rund- en varkensvlees werd vooral ook worst verkocht, vooral bloed- en leverworst. Verder doorregen vers of gerookt spek en gezouten spek naast hoofdkaas. De slagers verzorgden ook huisslachtingen die vooral bij boeren plaatsvonden doch ook bij arbeiders. Voor huisslachting waren meestal varkens bestemd. Na slachting werd het varken wijduit opgehangen aan een ladder, met het binnenste buiten en de kop naar beneden. Dit was om goed te kunnen besterven. Ruim een dag later werd het karkas in stukken gesneden. Hoe meer vet in het varken zat en hoe dikker het spek was des te hoger werd de kwaliteit gewaardeerd. De darmen en de maag werden direct na slachting schoongespoeld en gebruikt bij de worstfa­bricage. De blaas was bestemd voor de kinderen om er na opblazen mee te spelen.

Smederijen
In het dorp waren een drietal smeden werkzaam die daarnaast een winkel hadden. Door het aanwezig zijn van een flink aantal paarden in het dorp en de omgeving, was “hoefbe­slag” een zeer belangrijk onderdeel van de werkzaamheden. Het ijzer werd gesmeed; na het kappen van de hoef werd het ijzer sterk verhit en aan de onderkant op de hoef geplaatst. Veelal moest het ijzer enige malen worden gemodelleerd om de juiste pasvorm te bereiken alvorens met draadnagels aan de hoef van het paard te worden bevestigd. Bij het plaatsen van de hete ijzers tegen de onderkant van de hoeven begon de hoornhoef te schroeien; er ontstond een flinke walm en op zeer ruime afstand kon men de schroeilucht van hoorn ruiken. Het beslaan van paarden vereiste grote vaardigheid en ervaring. De smeden hadden het liefst rustige volgzame paarden die men “uit de hand” kon beslaan. Onwillige paarden leidde men naar de “noodstal” (soms met een doek over het hoofd wanneer ze de stal niet binnen wilden gaan). Hier werden ze vastgezet, terwijl dan tevens de hoeven die moesten worden beslagen één voor één op werkhoogte werden vastgezet. De smeden verrichtten uiteraard allerlei andere werkzaamheden zoals het aanbrengen van ijzeren “hoepen” om wagenwielen, het plaatsen en herstellen van kachels en ze verzorgden ook laswerk. Natuurlijk was men daarnaast rijwielhersteller, werden banden geplakt en de verlichting van de fiets in orde gemaakt (in de jaren twintig nog carbidlampen). Fietsen werden verhuurd, ook aan kinderen die het fietsen nog moesten leren. Dit kon meestal voor een luttel bedrag per uur of per middag. In die tijd moesten de kinderen echt fietsen leren en het kostte velen nogal moeite. Het trappen en het sturen moesten beide geleerd worden. Om het aantal keren vallen te beperken, was geruime tijd de hulp van broer, buurjongen of ouder nodig. In de winkel had de smid allerlei soorten gereedschap en diverse huishoudelijke gebruiksvoor­werpen en apparatuur. Eén van de toenmalige smeden was meteropnemer voor vaststelling van het elektriciteitsver­bruik. Hij ging zich meer en meer specialiseren op het terrein van elektriciteit en legde zich toe op het herstellen van storingen en het aanleggen van nieuwe leidingen.

Timmer- en schilderbedrijven
Het dorp had ook een drietal timmer- en een drietal schildersbedrijven. De timmerbedrijven verzorgden vooral veel onderhoudswerkzaamheden. Er was betrekkelijk weinig werk in het kader van nieuwbouw, waarbij zeer zeker de grote crisis van de jaren dertig een hele grote rol heeft gespeeld. De mensen moesten allemaal erg zuinig zijn en waren terughoudend met het laten uitvoeren van werkzaamheden. Aan het eind van de jaren dertig waren er slechts twee timmerbedrijven over. Toen de bouwwerkzaamheden in de Noordoostpolder begonnen in het begin van de jaren veertig, vestigde zich in Kuinre een bouwonderneming die de oorspronkelijke timmerbedrijven snel overvleugelde. Ook de aanwezige schildersbedrijven moesten een flinke strijd voor het bestaan leveren. Omstreeks 1939 beëindigde één bedrijf de werkzaamhe­den en vertrok de eigenaar naar het westen van het land. De twee andere bedrijven bleven bestaan, mogelijk mede doordat men neveninkomsten had. Het ene bedrijf had een winkel waarin niet alleen verf, behang en kwasten werden verkocht doch tevens o.a. allerlei kruidenierswaren. De eigenaar van het andere bedrijf was parttime werkzaam bij de PTT. De schilders kregen weer meer mogelijkheden toen werkzaamheden in de Noordoostpolder konden worden uitgevoerd. Voor één van hen leidde dit zelfs tot de beslissing het bedrijf te vestigen in de nieuwe polder.

Manufacturenzaken
In Kuinre werden bijzonder veel winkels geëxploiteerd, er waren tenminste twee winkels op vijf huizen. Er waren zeker vier manufacturenzaken. Hier werden flanellen, katoenen en wollen stoffen verkocht, veelal afgemeten per el (68 cm). Daarnaast kon men er knotten wol, garen, band, elastiek en eventueel knopen kopen, doch ook direct voor het gebruik gerede artikelen zoals shawls, mutsen en truien. Truien, kousen en sokken werden meest door de huis­vrouw zelf thuis gebreid. Bij één van de textielwinkels kon men brillen kopen. Men kon kiezen uit een doos vol en na het passen en proberen van meerdere exemplaren via enige bladzijden papier bedrukt met verschil­lende lettergrootten kon vaak een keus worden gemaakt. Veelal waren het mensen op gevorderde leeftijd, die van deze gelegenheid een dankbaar gebruik maakten. Een arts, opticien of oogarts kwam er uiteraard niet aan te pas. Bij een andere textielzaak gaf de vrouw des huizes af en toe korte cursussen aan meisjes en jonge vrouwen in knippen en naaien van kleding. Dat ook de concurrentie groot was bij de manufacturenzaken moge blijken uit het feit dat ook regelmatig zakenlieden uit Blokzijl en Wolvega hun producten en diensten kwamen aanbieden.

Kuunders Kwartiertje mei 2015

Ingenieur Yme Kroes is in het Rondebroek geboren op 11 september 1919 en overleden te Kuinre op 19 februari 1998. Als Rijksveeteeltconsulent voor de varkensfokkerij werkte hij mee aan voorlichtingsfilms over Voeding van varkens (1954-1958) en Varkensziekten (1959-1961). Hij bracht een werkbezoek aan Denemarken (1957) en sprak op het ministerie van Landbouw en Visserij over de import van vreemde varkensrassen (1961). Ook schreef hij samen met ir. E.F. Geessink het boekje Varkensfokkerij en -houderij (2e dr. 1960).
Voor HVIJ-kwartaalblad De Silehammer schreef ir. Kroes een reeks van vijf artikelen over Kuinre: Historische facetten en persoonlijke herinneringen met name over de periode 1920-1940. Het laatste artikel in deze reeks verscheen kort na zijn overlijden. De redactie van De Silehammer brengt deze artikelen met genoegen onder de aandacht van de lezers van het Kuunder Kwartiertje. Door middel van [– red.] zijn spaarzaam enige verduidelijkingen aangebracht.

Kuinre is een oude plaats met een historie van enige betekenis. Reeds in een kroniek van 1165 komt de naam CUENRE voor. In de tweede helft van de twaalfde eeuw (1150-1200) wordt het Kuinderdiep gegraven, waarbij ten westen hiervan een dijk wordt gelegd waarlangs bewoners zich vestigen. De eerste burcht dateert ook uit deze tijd.
Kuinre is gelegen in een waterrijk deltagebied waar de Tjonger (ook wel genoemd de Kuijnder of Cunera Floed) en de Linde een grote rol speelden. De plaats heeft altijd toegang gehad tot de Zui-derzee die omstreeks 1170 is ontstaan na zware overstromingen gepaard gaande met veel landverlies. Ook later trad veel landverlies op, o.a. bij de zware storm van 1375, waarbij Venehuizen (ZW van Kuinre), Espel en Nagele (NO van Urk) teloor gingen. De Tjonger en de Linde voerden water af van de Drentse Zandgronden en de uitgestrekte veengebieden in Friesland. De oorsprong van de Tjonger wordt ongeveer gezocht tussen het Drentse Veenhuizen en Haulerwijk, terwijl wordt aangenomen dat de Linde ongeveer zijn oorsprong had in Tronde, in de omgeving van Elsloo. Beide rivieren stroomden in ZW-richting, waarbij de Tjonger vanaf Schoterzijl een oostelijke koers ging en uitkwam bij Slijkenburg. Bij dit plaatsje mondde de Linde uit in de Tjonger en gezamenlijk stroomden deze riviertjes verder door het gebied van het Rondebroek om vervolgens enige honderden meters ten oosten van Kuinre in de Zuiderzee uit te monden. In deze situatie kwam een sterke wijziging toen in 1433 de polder “Het Bedijkte Rondebroek” ontstond. Hierbij werd de Tjonger ten noorden van Kuinre afgedamd. Het water van Tjonger en Linde werd geleid naar het Kuinderdiep dat reeds in de twaalfde eeuw was gegraven. De afgedamde bedding van de Tjonger in het Rondebroek is voor een deel nog te zien. Voor de Tweede Wereld-oorlog was het op bepaalde plaatsen een zeer brede sloot met als naam “De Oude Kuunder”. Deze liep ongeveer vanaf de boerderij van de familie Bouma in zuidelijke richting voor een aantal boerderijen langs (o.a. voor Begijnhof en langs Vollendam) richting Antjeskolk [Bouma, Lindedijk 1; nog dichter bij de Oud Kuinder ligt de jongere boerderij van Kroes, Lindedijk 1/A].
Door verzanding van de toegang tot de Zuiderzee werd in 1743 het Scheepsdiep gegraven ten westen van Kuinre. Dit droeg bij tot vergroting van economische activiteiten, o.a. handel met Amsterdam in boter en turf. Daarnaast waren enige scheepswerven in exploitatie. In 1835 werd het onderhoud van het Scheepsdiep overgenomen door de Provincie, terwijl eveneens 27 ha land langs het Scheepsdiep als eigendom naar de Provincie ging.
Door de aanleg in 1702 van de Havendijk of Zeedijk van Schoterzijl naar Slijkenburg kwam de Buitenpolder achter Kuinre buitendijks te liggen. In 1710 werd het gebied omkaad met een zomerdijk op kosten van de Staten van Overijssel. Hierdoor ontstond de eigenlijke Buitenpolder. De gehuchten Veenhuizen en Wijberga konden geen stand houden en verdwenen in de loop van de achttiende eeuw. Het land van de Buitenpolder was oorspronkelijk van weinig waarde. Pas in 1775 werd het land op last van de Staten van Overijssel bezwaard met grondbelasting. Het Waterschap Buitenpolder achter Kuinre ontstond in 1852, doch ging in 1964 over in het Waterschap Vollenhove. In de eerste helft van de negentiende eeuw (1836-1842) werd het Nieuwe Kanaal gegraven tussen Kuinre en Slijkenburg. Dit hield een aanmerkelijke dijkverzwaring in tussen Kuinre en Slijkenburg en tevens achter Kuinre zelf.
Doortrekking van de dijk naar de Friese Zeedijk (Statendijk) betekende dat nu het water van de Tjonger (Tussenlinde) via het Nieuwe Kanaal en het Scheepsdiep naar zee werd afgevoerd. Vanaf Schoterzijl werd de Worstsloot (of Stevenssloot) verbreed zodat de Tjonger ook hier langs in zee kon afvoeren. De Linde bij Kuinre werd in 1843 afgesloten door een waaier¬sluis. In mijn jeugd waren Lindehaven en Tjonger gescheiden door hoge sasdeuren. Deze sasdeuren hadden een zeer belangrijke functie voor waterkering. De Zuiderzee stond onder invloed van eb en vloed die uiteraard ook tot uiting kwamen in de haven en de Tjonger. Onder normale omstandigheden kon water van de Linde bij eb (lage waterstand in de haven) afgevoerd worden. Er waren echter omstandigheden, bijvoorbeeld bij langdurige harde wind uit het westen, respectievelijk uit het noordwesten, dat het water uit de Zuiderzee tot hoog of zeer hoog peil werd opgejaagd. De sasdeuren konden dan uiteraard niet geopend worden. Wanneer dit gelijktijdig plaats vond in het stroomgebied van de Linde, kwam ook het Lindepeil sterk omhoog. Ik herinner mij dat in het begin van de jaren twintig van deze eeuw op het Noordeinde van het dorp het water soms tot aan de straat toekwam. Door kanalisatie en het aanbrengen van waterstaatkundige werken in de loop van de Linde en de Tjonger kwam hierin eind jaren twintig en begin jaren dertig aanzienlijke verbetering. Op het Noordeinde van Kuinre kwam in 1928 de sluis tot stand, die een positieve invloed heeft gehad op de regulering van de waterstand doch ook op een meer ongestoorde scheepvaart. Het betekende echter wel dat er een flinke wijziging kwam in de verkeersstroom van en naar het dorp. Tot 1928 ging het verkeer via de brug bij de Nieuwstad. Deze brug werd vervangen door een veel smallere brug, terwijl de normale verkeersbrug aan de Noordzijde van de sluis een plaats kreeg. Hierbij werd het noodzakelijk een stukje weg aan te leggen tussen de petgaten van “Pampus” en de “Nachtweide” voor verbinding met de oude Blankenhammerzeedijk. Aan de oostzijde van de “Nachtweide” bevonden zich de “Putten”, gedeeltelijk op de plaats waar zich momenteel het Vijverpark bevindt. De “Nachtweide” was een stuk dijk waar de koeien, die overdag (destijds onder toezicht) op de Blankenhammerzeedijk geweid werden ’s avonds naar toe gebracht werden.

Het dorp en zijn bewoners
Kuinre is een langgerekt dorp, ingeklemd tussen het “Kanaal” (de Tjonger) en de Linde. Met name aan de westkant van de straat stonden de huizen mannetje aan mannetje. Aan de oostzijde kwamen nogal eens enige onderbrekingen voor. Aan deze laatste zijde kwamen ook een drietal stegen voor die met huizen bebouwd waren tot aan de Linde. Aan de westzijde bevond zich slechts één bebouwde doorgang naar de Sleep.

Visserij
Op het Zuideinde van het dorp woonden met name de vissers. Ze hadden de boten in de haven gemeerd juist over de brug. Er werd in het begin van het jaar veelal gevist op spiering en vervolgens op ansjovis. Hierna viste men op haring en platvis, vooral op de zo bekende zuiderzeebot. De Kuunderse vissersvloot was niet zo omvangrijk: een drietal grotere vissersschepen, waarvan één van het type Vollenhoofse bol, terwijl de andere twee het type hadden van de Kuunderpunter, doch deze waren aanmerkelijk groter. Daarnaast kwamen een tweetal echte Kuunderse punters voor (overeenkomend in type met de KU II, een boot waarmee Kuinre gepromoot wordt). Verder waren er nog een paar gewone punters en enige kleinere bootjes.
Voor het vangen van vis moest nogal wat werk worden verzet. Naar zee varen, de netten uitzetten en later weer binnenhalen. De boten en de zeilen moesten worden onderhouden. Dit gold ook voor de netten; schoonmaken, drogen, eventueel herstellen en voor verduurzaming af en toe tanen. Wanneer de vissers op zee plotseling werden overvallen door slecht weer moest dekking worden gezocht, soms in het Friese haventje Laaksum. De gevangen vis moest uiteraard verkocht worden.
Er waren twee rokerijen in Kuinre waar vooral haring gerookt werd tot de bekende strobokking. Eén eigenaar van een rokerij verhandelde ook veel vis. Hij was met name georiënteerd op Zuid- Friesland en deed dit met de hondenkar. Later, met paard en wagen, werden grotere hoeveelheden vis aan de man gebracht. De eigenaar van de andere rokerij zocht de afzet meer richting Oldemarkt. De familie Dikken had een vrachtdienst met paard en wagen op Lemmer en vervoerde regelmatig vis voor afzet aan bepaalde adressen aldaar. Ook op de fiets werd wel vis afgezet. Uit Vollenhove kwamen regelmatig een paar personen met een transportfiets met daarop ovale manden. Hierin werd bot geladen die uitgevent werd in een deel van NW-Overijssel. Uiteraard werd ook veel vis geconsumeerd in het dorp zelf. Er werden bestellingen opgenomen om op een iets later tijdstip de vis te bezorgen. Ook werd er wel gevent door jongens die met een bakje strobokking van huis tot huis gingen. Soms twaalf stuks (een rijsje) voor een dubbeltje [rijst, rijs, rist = bundel; aaneengeregen aan stok of touw]. De vissers met de kleinere boten gingen niet zover de zee op. De Zuiderzee was gevaarlijk en wispelturig. Vis die niet direct verhandelbaar was, soms bot soms witvis, werd in karen gedaan, die in het water werden gelegd zodat de vis korte tijd kon overleven. Bij voldoende voorraad werd de vis afgeleverd of aangewend voor eigen consumptie. De visserij zorgde voor werkgelegenheid en had soms behoefte aan tijdelijke medewerkers. Behalve in de haven waren ook enige boten afgemeerd in het Puntergat (zuidoost van Kuinre). De vissers hier visten direct onder de kust. Eén van hen handelde ook in schelpen en zand. Om enige indruk te geven van het toenmalige prijsniveau: voor 10 cent kreeg men een kruiwagen vol scherpzand thuis bezorgd. Het zand werd gebruikt voor het indweilen tussen stoepstenen en tussen stenen van bepaalde stukjes straat, zodat dit een nette indruk gaf. In het leven van de vissers kwam een hele grote wijziging in het begin van de jaren dertig. De afsluitdijk tussen Noord-Holland (Den Oever) en Friesland (Zurich) kwam in 1932 gereed en het betekende dat de Zuiderzee niet meer in directe verbinding stond met de Noordzee, zodat ook de toevoer van vis uit de Noordzee niet meer mogelijk was. De naam Zuiderzee werd gewijzigd in IJsselmeer. Voor de vissers hielden de ontwikkelingen in dat zij bij de vorderingen van de Zuiderzeewerken hun broodwinning moesten opgeven hetgeen een bijzonder hard gelag betekende. Op basis van de toenmalige Zuiderzeewet kregen de vissers wel een financiële tegemoetkoming, doch dat is altijd “peanuts” wanneer men gedwongen zijn beroep moet opgeven. Jongeren uit de families van vissers konden in aanmerking komen voor het volgen van een studieopleiding. Jongvolwassenen werd zo mogelijk hulp geboden bij het krijgen van een werkkring bijvoorbeeld bij de spoorwegen, posterijen of als brugwachter.

Deze ophaalbrug over de Linde bij de Nieuwstad in Kuinre lag er tot 1959, toen de rivier de Linde werd afgedamd. Doch bij het herstel van de sluis in 1989 kwam er weer een brug, nu een hoge vaste brug met doorvaarhoogte van 2,60 m. ter wille van de pleziervaart. Aan de overkant nog zichtbaar het bovenstuk van de kerkgevel aan de Henric de Cranestraat.

Kuunders Kwartiertje februari 2015