Veel munten van Frederik uit zijn ambtsperiode als bisschop (1393-1423) vertonen uiteraard slijtageplekken. Nog het best bewaard is een zegel van rode was waarop hijzelf staat afgebeeld met mijter en kromstaf, en een zgn. St.-Jansgulden met de beeldenaar van Johannes de Doper. Hieronder zijn heraldische termen vermeden, bijv. voor de kleuren keel (rood) en sabel (zwart).
dijkkrant noiv/dec 2014
dijkkrant nov/dec 2014

Tot slot
Van het wapen van bisschop Frederik is niets terug te vinden in de (late) wapens van Blankenham. Ook de wapens van moeder of grootmoeder of van steden en burchten in de Eifel leveren niets op. Bezat het Kerspel Blankenham voor 1811 ooit een wapen dat teruggaat op dat van Frederik, maar dat verloren is gegaan?


Dijkkrant Blankenham november-december 2014

Blankenheim ligt in het Eifelgebergte. Uit de Romeinse tijd dateert een villa rustica, een soort herenboerderij, aan de weg tussen Triër en Keulen. De abdij Prüm krijgt bij haar stichting op 23 juli 721 quidquid nobis ogbtingit de blancio, al wat ons toekomt in Blancium. Daarvan stamt de naam Blankenheim. En aan die plaatsnaam ontlenen de Heren van Blankenheim hun geslachtsnaam.
De Heren van Blankenheim breiden hun heerschappij uit over 25 woonoorden, dorpen en steden, zoals Schleiden, Castilburg (Kasselburg) en Gerhardtstein, het latere Gerolstein. In 1380 krijgt Gerhard VII de titel graaf.

Friedrich von Blankenheim (±1355-1423), bisschop Frederik III van Utrecht
Als vierde zoon, zonder zicht op eigen landbezit, is Friedrich (geb. ±1355 Kasselburg) al vroeg voorbestemd voor een geestelijke loopbaan. In Parijs studeert en doceert hij rechten. Tijdgenoten roemen zijn rechtskennis. Reeds in 1375 wordt hij bisschop van Straatsburg. Zijn bewind aldaar is geen succes. Op 11 november 1393 wordt Frederi(c)k – Nederlandse spelling – plechtig ingehaald als bisschop van Utrecht. Hij stelt financieel en bestuurlijk orde op zaken in zijn bisdom. Ook als landsheer toont hij zich een krachtig bestuurder. Hij slaagt erin de wereldlijke macht van het Sticht (ongeveer provincie Utrecht) te herstellen. In 1395 herwint hij Coevorden en herenigt Drenthe met het Oversticht (Overijssel). In 1405 volgen Stad en Lande van Groningen. Op 22 augustus 1407 koopt de bisschop de burcht te Kuinre met geldelijke steun van de Overstichtse steden Deventer, Zwolle en Kampen. Daarmee komt feitelijk een einde aan de macht van de Heren van Kuinre.
Zijn kerkelijke taken laat Frederik grotendeels uitoefenen door wijbisschoppen (hulpbisschoppen). Hij geldt als rechtzinnig, roept doorgaans tweemaal per jaar een synode bijeen en hervormt de kloosters; hij heeft een zwak voor de aanhangers van de Moderne Devotie. Onder zijn bestuur zijn 14 nieuwe parochiekerken opgericht, waaronder dus in 1418 die te Blankenham, 4 kapittelkerken, 7 kloosters en 5 fraterhuizen. Frederik overlijdt op kasteel Ter Horst bij Rhenen op 9 oktober 1423.
Zijn stoffelijk overschot is bijgezet aan de zuidkant van het koor in de Dom te Utrecht. De tombe moet prachtig zijn geweest, maar is in 1586 ten tijde van de Reformatie vernield. Het Latijnse grafschrift is bewaard in het Magnum Chronicon Belgicum. Merkwaardig,het grafschrift roemt enkel zijn verdiensten als wereldlijk vorst; zelfs de koop van Kuynre wordt vermeld!

Blancium – Blankenheim – Blankenham
Namen voor Duitse burchten eindigen doorgaans op -eck (hoek), -burg (burcht), -fels (rots), -stein (steen). De uitgang -heim (heem) betekent: huis, woonplaats, dorp. Blankenheim herinnert aan het dorpse Blancium. In het Eifeldialect wordt Blankenheim nog steeds uitgesproken als Blangem.
Bisschop Frederik was een kundig, hoewel autoritair bestuurder, maar stond ook bekend om zijn vriendelijkheid. Hij zag af van zijn grafelijke rechten op Blankenheim. Misschien vond hij het daarom ongepast zijn geslachtsnaam een-op-een over te dragen. Of misschien is de naam Blankenham eenvoudigweg, of zelfs een beetje speels, terug te voeren op Blangem + Ham(me).
Volgende keer de hamvraag (!): is het wapen van Frederik nog terug te vinden in Blankenham?


Dijkkrant Blankenham september-oktober 2014

Buurtschap In den Hamme wordt Blankenham
Ham duidt wellicht op kromming, bocht, bv. in rivier of kustlijn; tevens, net als Hem, op omheind land of aangeslibd land. Beide woorden komen veel voor als achtervoegsel van plaatsnamen, ook in het buitenland. Allerlei betekenissen staan opgesomd in De Silehammer 20/1 (maart 2012) 18v.

Silehem/IJsselham moederparochie van Blankenham
Het alleroudste Silehem/IJsselham, al bestaand vóór 1100, lag aanvankelijk in of bij de buurtschap In den Hamme. De kerk van Silehem, vermeld in 1132, schoof met de vervening in oostelijke richting op. Dat was voor de achterblijvende Hammers te ver weg. Bisschop Frederik van Blankenheim stond in 1418 de bouw van een nieuwe kerk toe. De tekst van de oorkonde uit 1418 is in het Nederlands afgedrukt in publicaties van Ton de Graaf, groot kenner van de historie van Blankenham.

  • Bisschop Fredericus geeft aan de lieden, wonende bij de dijk, in de buurtschap geheten In den Hamme, en nu onder de parochie van Ysselhamme behorende, als te ver van die kerk verwijderd en op hun dringend verzoek, verlof tot het bouwen van een kerk met een doopvont, een toren en een kerkhof en hij geeft aan het nieuwe kerspel de naam Blanckenham. […]De nieuw te benoemen pastoor krijgt de verplichting zekere zielemissen te houden zodat door deze stichting de pastoor van Ysselhamme geen schade zal lijden. Voorts worden er bepalingen gemaakt aangaande de jaarlijkse betalingen van de inwoners van Blanckenham aan hem. De collatie voor de nieuwe pastoor krijgen de fabriekmeesters en de pastoor van Ysselhamme.

Kerk met doopvont, toren en kerkhof: dus een zelfstandige kerk, geschikt voor alle sacramentele handelingen. Collatie is benoemingsrecht; dat recht behield de pastoor van IJsselham, maar wel in samenspraak met de kerkmeesters (kerkvoogden) van de nieuwe Blankenhammer kerk.
Ons interesseert de Latijnse tekst uit het Formulare tempore Friderici factum (folio 106), dus uit een formulierenboek gemaakt ten tijde van bisschop Frederik van Blankenheim. Met eigen letterlijke vertaling.

  • Cui parochiali ecclesie unacum buerschopio et contratu pre­dictis, nomen novum imposuimus et damus videlicet in Blanken­ham sit perpetuo vulgariter numcupandum.
    Aan welke parochiekerk samen met de voornoemde buurtschap en omgeving wij een nieuwe naam hebben opgelegd en geven, namelijk dat die voortaan Blankenham in de volkstaal genoemd moet worden.

Over het onderhoud van de Weme (pastorie) staat nog een be­schrijving betreffende Blankenham en IJsselham in een oorkonde uit het jaar 1444 (alleen bekend uit een boek uit 1793!!!).
“… die wedeme die nare gewoent desz lants der kercken volghet”. De betekenis is dat de weme niet door de pastoor wordt onder­houden, doch door hen die de kerk onderhouden.

Ton de Graaf veronderstelt op goede gronden dat de oorkonde uit 1418 dateert van 26 mei.
Hij concludeert dat de naam In den Hamme dus gecombineerd wordt met de achternaam van de bisschop van Utrecht, Frederik van Blankenheim.
Toch een echt nieuwe plaatsnaam, wel onmiskenbaar herinnerend aan de bisschop.
Friedrich von Blankenheim, geboren ±1353, stamt uit een adellijk geslacht in de Eifel, dat met de dood van zijn broer in 1406 uitstierf in de mannelijke lijn. Frederik zag af van zijn grafelijke rechten aldaar ten gunste van zijn oomzegster en trad op als interim-bestuurder totdat zij trouwde in 1415. Misschien wilde hij met Blankenham zijn familienaam laten voortbestaan. Maar waarom dan niet Blankenheim? Er zijn immers meer oude Nederlandse plaatsnamen die eindigen op -heim. En hoe zag het wapen van de bisschop eruit? Is er nog een verwijzing naar of herinnering aan zijn familiewapen?
Blankenham voerde tussen 1811 en 1898 als wapen een vleeskleurige ham (!) in een zilveren veld. “Fantasie-van-de-kok”, zullen we maar denken.
Meer over bisschop Frederik en zijn wapen in de volgende twee Dijkkranten.


Dijkkrant Blankenham juli- augustus 2014

Middeleeuwen
De Hoge en Late Middeleeuwen beslaan de periode van 944 tot 1528. Een tijd waarin de graven van Holland, de hertogen van Gelre en de bisschoppen van Utrecht hier te lande steeds meer de dienst uitmaakten als leenmannen van de Duitse keizer. Het wereldlijk gebied van de bisschop bestond uit het Sticht (ongeveer de huidige provincie Utrecht) en het Oversticht (Overijssel en later ook Drenthe en de stad Groningen). Binnen het Oversticht waren het meest invloedrijk de Ridderschap en Steden, nl. Deventer, Zwolle en Kampen. Met ridders als de Heren van Kuinre kreeg de bisschop later veel te stellen. Op 22 augustus 1407 kon de bisschop met een geldlening van de drie steden de burcht te Kuinre kopen – de grond was in feite nog altijd van hem. Het was deze bisschop die in 1418 de naamgever werd van Blankenham: Frederik van Blankenheim, bisschop van 1393 tot 1423.

Bronnen
In het gemeentearchief van Kampen liggen veel documenten die betrekking hebben op onze regio; bisschop Fredrik van Blankenheim wordt alleen al in dit archief zeker een dertig keer genoemd.
Het archief bevat veel regestenlijsten. Een regest is een korte, maar wel volledige inhoudsopgave van officiële documenten zoals oorkonden; een soort samenvatting op hoofdpunten.
Zo zijn er regesten van een zestal Memoriën; dat zijn Broederschappen waarin aanzienlijke burgers van Kampen zich inzetten voor de zorg voor armen en behoeftigen. De Broederschappen werden opgericht met vergunning van de pastoor en goedkeuring van de bisschop. Ze hielden jaarlijks feestelijke bijeenkomsten, begeleiden de uitvaart van overleden memoriezusters en -broeders, lieten zielenmissen lezen voor de gestorvenen en stichtten eigen vicarieën in kerken. Uit giften, legaten, pachten en renten werden versiering en verlichting van het altaar betaald en de priesters en andere kerkdienaren beloond. Het O.L. Vrouwenmemorie te Kampen is gesticht op 28 november 1380.

In den Ham voor het eerst vermeld in 1395
In het Kamper Gemeentearchief bevinden zich twee regesten van de Memorie van de Onze Lieve Vrouwenkerk te Kampen waarin Mathies Goede, zoon van Gellinge, cureyt (= pastoor) te Kuinre, o.a. een erve in den Ham schenkt om met de opbrengst ervan een altaar te stichten in die kerk.

des dinxedages nae eflduzend mageden is duidelijk. De feestdag van Ursula van Keulen en haar 11.000 Maagden was 21 oktober. Met XI M is niet het Romeinse cijfer M = 1000 bedoeld, maar M als afkorting van Martyres, dus XI M = 11 Martelaren.
Op sante Lucas Avent duidt opde vooravond van diens heiligendag.
Zo is 5 december, de vooravond van 6 december, de feestdag – eigenlijk de sterfdag – van Sint Nicolaas. Vroeger zetten we de schoen op de avond van 5 december en ontdekten pas in de ochtend van 6 december wat er was gebracht. Duitsland viert Heiligenabend op 24 december, de vooravond van Kerst.
Echter, de feestdag van Lucas is niet 12 april, maar 18 oktober. Dan zou de datering van het eerste regest 17 oktober moeten zijn – een datum 9 dagen dichter bij het tweede regest. Dat zien we vaker: een toezegging van 15 januari 1392 werd 10 dagen later bekrachtigd. Trouwens, 11 april 1395 was Paaszondag. Hoe dan ook, van “in den ham” is sprake uiterlijk oktober 1395.
De volgende keren meer over het voor Blankenham belangrijke jaar 1418 en bisschop Frederik.

Dijkkrant Blankenham mei-juni 2014

In 1995 bracht de HVIJ een themanummer uit van De Silehammer over de Tweede Wereldoorlog met daarin het artikeltje Twee jaar onderdak van Th.W. van Veen uit Zuidhorn over zijn onderduik bij familie in Blankenham. Hij noemt geen namen of adressen. Dat maakt nieuwsgierig!

portertfotoThijs werd geboren op 18 maart 1920 te Heerenveen, zoon van Meine van Veen (1893-1970) uit Blankenham en Maria Geertruida Gerbrands (1894-1977) uit Arnhem. Meine was onderwijzer, later leraar staatswetenschappen en geschiedenis en vanaf 1931 directeur van de HBS in Hoorn, Zwolle en Groningen, waar hij in 1941 door de bezetter werd ontslagen. Na de bevrijding korte tijd redactiechef van dagblad Het Vrije Volk. Van 1946 tot 1958 was hij burgemeester van Enschede en na zijn pensionering korte tijd waarnemend burgemeester van Doetinchem. Daarna ook nog twee maanden staatssecretaris van oorlog in het derde Kabinet-Drees.
Thijs studeerde in de oorlog rechten aan de Rijksuniversiteit Groningen. Omdat hij weigerde de loyaliteitsverklaring te ondertekenen, deed hij dit niet in de collegebanken, maar illegaal. Hij is gepromoveerd in 1949 aan de RUG op het proefschrift Generale preventie.
Thijs was in 1948 al begonnen als journalist bij de Groninger editie van dagblad Het Vrije Volk, werd vervolgens adjunct-hoofdredacteur en vanaf 1961 hoofdredacteur. Hij vertrok in 1968 bij HVV toen de krant besloot de regionale edities weg te bezuinigen en werd in dat jaar hoogleraar Straf- en Strafprocesrecht aan de RUG, tot aan zijn emeritaat in 1987.
Zijn bekendste wetenschappelijke werk was de serie Ons Strafrecht.
Hij waarschuwde regelmatig tegen de groeiende overbelasting van de Nederlandse justitie. Zijn archief ligt in het Persmuseum te Amsterdam.
Thijs Willem van Veen is overleden op 8 september 2006 te Zuidhorn en aldaar begraven, evenals zijn ouders; hij was getrouwd met Ruurdje van der Heide, eveneens in 2006 overleden.

Twee jaar onderdak – een paar fragmenten
“In het vroege voorjaar van 1942 kwam ik aanfietsen. De kans om voor een tweede keer door de Duitse politie te worden gearres­teerd was mij te groot geworden. Mijn grootouders woonden in Blankenham vlakbij een kolk. Niet ver van hen lag de boerderij van een oom en tante. Ik hoopte bij hen onderdak te kunnen vinden.” 
Zo kwam Thijs bij oom Roelof van Veen (1901-1959) en tante Geertje Meinen (1900-1972) aan de Hammerdijk 19, achteraf het land in – wel zo veilig. Zijn grootouders Thijs van Veen (1867-1953) en Ebeltje Meinen (1865-1943) woonden naast de Schimmelskolk, Hammerdijk 4.
“Zo was ik terug waar ik als kind zo dikwijls een vakantie had doorgebracht en daarna zo dikwijls op bezoek was geweest. In ieder geval elk jaar op 1 januari, de dag waarop mijn grootva­der jarig was en het weer als regel slecht.”
“Met medeweten van dominee Van Gelder uit Kerkbuurt had ik op mijn vervalst persoonsbe­wijs laten zetten dat ik hulppredi­kant was. Dit was een beroep dat mij beschermde tegen uitzen­ding naar Duitsland. Hierdoor kon ik ook verklaren waarom ik zoveel boeken had en geen kijk op koeien. Later, na het over­lijden van mijn grootmoeder [20.10.1943 – red.], sliep en studeerde ik meestal op de boerderij van mijn oom en tante. Overdag studeerde ik meestal, ’s morgens en ’s avonds moest ik helpen melken. Mijn deel bestond uit tien à twaalf koeien. Ik deed hier ongeveer twee tot drie uur over. Ik onthield aan hun tekenin­gen of aan andere bijzonderheden welke ik had gemolken: een zwarte hoek rechts op de bil, een witte bles of een vreemd gedraaide hoorn. Eén was een ‘driespeen’, die was zo te her­kennen. De lastigste was Lena, zij was vindingrijk. Zij maakte met haar kop het touw van het hek los en zag kans de zeef te pakken die op de te vullen melkbus stond.”

Extra bijlage: Eerder verschenen in HVIJ-kwartaalblad De Silehammer van april 1995

Dijkkrant Blankenham maart-april 2014

De zware noordwesterstorm in de nacht van 4 op 5 februari 1825 viel samen met springtij. Die combinatie was fataal voor de Oostwal van Zuiderzee, de kust tussen Lemmer en Elburg. Bovendien was het beheer van de zeedijk versnipperd en het onderhoud van veel binnendijken slecht. Bij Blankenham brak de zeedijk door op zes plaatsen. Relatief veel Blankenhammers kwamen om, 28 personen, dat was 10% van de bevolking! Ook veel vee verdronk.
In Blokzijl bleef het aantal slachtoffers beperkt dankzij de vele boten. Vanuit Blokzijl werden reddingspogingen ondernomen, zoals door Klaas Mastenbroek en Klaas Buis, “vaders van een talrijk kroost” en vier ongehuwde mannen. Zaterdag 5 februari “redden deze kloeke helden 20 personen, die ze behouden te Blokzijl brachten.” ’s Zondags bemerkten ze nog negen mensen, drijvende op twee stukken van hooischuren, “honger en dorst lijdende en verkleumd van de koude; daarbij een zieke vrouw. Allen werden behouden aan wal gebracht.” (H. van Dalfsen, De Stormvloed in 1825)
Volgens Jaap Houwer (Tussen Steenwijk en Blokzijl. 2013, 44-47) beviel de zieke vrouw een uur na aankomst van een gezond kind. De vrouw moet dan Femmigje Klaassen zijn geweest, vrouw van Welmer Hoogeveen uit Blankenham. Het kind was Jan Hoogeveen. Dat intrigeert.

Geboorteakte Blokzijl 1825 no. 9

Op zondagmiddag [!] 6 februari 1825 om twee uur werd in Blokzijl bij Steven Bouman, waarnemend officier van de Burgerlijke Stand, een geboorteaangifte gedaan door Reina Stoffers (38), vroedvrouw te Blokzijl, geassisteerd door twee getuigen, Arent Jongman (52), koopman, en Jacob Brouwer (50), schoenmaker. Reina verklaarde, “dat Femmigje Klaassen, huisvrouw van Welmer Hogeveen, gewoond hebbende te Blankenham, op de zesde februari ’s morgens te twaalf uren ten huize van de tweede getuige is bevallen van een kind van het mannelijk geslacht, aan hetwelk de voornaam is gegeven van Jan.”

Houwer vermeldt dat Femmigje in latere akten voorkomt als Femmigje of Wemmigje Klasen Bon.
Ton de Graaf (Leven in Blankenham. 2006, 88) schrijft dat de diaconie van Blankenham in 1863 van Welmer Hogeveen en zijn vrouw Wemmigke Klazen hun huis in de Zuiderpolder kocht voor
ƒ 250,- Het echtpaar ontving hiervan ƒ 50,- en de rest bleef in de kas van de diaconie voor onderstand gedurende de rest van hun leven (onderstand = ondersteuning, bijstand).
Grootvader Jan Welmers Hoogeveen kwam uit Scherpenzeel. Vader Welmer Jans (1794-1876), geboren te Noordwolde, trouwde te Kuinre in 1814 met Wemmigjen Klaassen (±1797-1874) uit Blankenham, in 1840 aangeduid als Wemmigje Bont; dochter van Klaas Jans en Annigje Wichers.
Na de geboorte van zoon Jan op 6 februari 1825, gingen Welmer en Wemmigje naar Kuinre. De schade aan hun huisje in Blankenham was begroot op ƒ 116, waarvan ƒ 16 voor twee schapen; totaal vergoed ƒ 63,-. Te Kuinre werd zoon Klaas geboren in januari 1828; hij werd slechts één jaar; daarna volgde in Kuinre weer een Klaas in februari 1830, overleden in 1874.
In 1834 bouwde Welmer een huisje in de Zuiderpolder van Blankenham, kadasternummer D 469; vermoedelijk ergens tussen nu Blokzijlerdijk 20 en 23. Dochter Annigjen werd er geboren op 26 maart 1834, dochter Andriesjen op 11 november 1837.
Zoon Jan Hogeveen (1825-1884) trouwde op 20 april 1859 met Marijtje (Marrijgien) Bos (1830-1907) uit Ossenzijl, dochter van turfmaker Jan Hendriks Bos en Grietje Jacobs Pijlman.
Marijtje was al op 12 maart bevallen van een dochter bij haar ouders thuis te Ossenzijl. Aangever was Marijtjes vader, met als getuigen Hendrik Mintjes en… Jan Hogeveen. Die erkende bij hun huwelijk het kind. Marijtje was dienstmeid te Blankenham – bij wie? Hoe dan ook, Jan Hogeveen zal de vader zijn geweest, want het kind werd naar zijn moeder genoemd: Wemmigje.
Jan en Marijtje kregen om de twee jaar een kind, in totaal acht. In en om Blankenham het meest bekend zijn Klaas Hogeveen (1865-1950), getrouwd met Trijntje Muis; hun dochter Machteldje trouwde met Klaas Buisman, wonend op ’t Meulenstuk in het Rondebroek (rietgedekte watermolen). Jongste zoon Marten Hogeveen (1872-1961) is vrijgezel gebleven.
Klaas en Marten woonden naast elkaar onderaan de Blokzijlerdijk, een van hen kennelijk in het ouderlijk huis. Beide huisjes zijn afgebroken (Anny de Dreu-Oosterhof in De Silehammer 14/2, 32).

Dijkkrant Blankenham januari-februari 2014