Scheepvaart
Kuinre had via Tjonger, Linde en de Haven de beschikking over goed vaarwater en dat bevor­derde uiteraard de scheepvaart. Via mondelinge historische mededelingen is wel eens naar voren gebracht dat in vroegere tijden in Kuinre drie scheepswerven waren. Eén was gesitueerd op het Zuideinde, daar waar nu ongeveer het Sasplein is. De plaats van de andere twee is niet met zekerheid aan te geven. Mogelijk dat een tweede werf gefunctioneerd heeft in de buurt waar later de zuivelfabriek stond. Bepaalde stukken land daar in het Rondebroek droegen de naam van "Hellingstukjes". De derde helling zou mogelijk gevestigd zijn geweest een honderdtal meters ten noorden van de vroegere lagere school (hier heb ik vroeger wel eens over horen praten, doch zekerheid en aanwijzingen hierover zijn beslist zoek). [Dankzij kadaster 1832 en krantenarchieven zijn de locaties van de drie werven bekend; hierover t.z.t. meer in De Silehammer – red.] Tussen de twee wereldoorlogen waren in Kuinre een drietal ondernemingen die regelmatig wekelijkse beurtdiensten onderhielen. Fledderus voer met stoomboot de “Twee Provinciën” via Echtenerbrug en Scharsterbrug des dinsdags naar Sneek en op donderdag en vrijdag naar Leeuwar­den. Groenhof en Bremer onderhielden met motorboot “Kuinre” ’s maandags een dienst naar Steenwijk, dinsdags naar Sneek en donderdags en vrijdags ging men naar Zwolle. Steenwijk werd bereikt via Wetering en voor Zwolle voer men via Wetering, Ronduite naar Zwartsluis. De derde onderneming van de familie Ruiter had met haar boot “Excelsior” maandags een dienst op Steenwijk. De boten vervoerden o.a. zuivelproducten, vee (voor de markten te Steenwijk, Sneek en Zwolle), veevoer, brandstoffen, meel voor de bakkers en allerlei andere benodigde artikelen voor de bevolking. De firma Groenhof en Bremer doch ook de familie Ruiter had een handel in brandstoffen. Passagiers werden desgewenst ook meegenomen. Dat betekende wel dat men op een vroeg tijdstip moest vertrekken, naar Steenwijk ’s morgens om ongeveer om vijf uur. Door laden en lossen onderweg arriveerde men in Steenwijk omstreeks half negen aan het eind van het Steenwijker­diep ongeveer ter hoogte van hotel café “de Gouden Engel” van de familie Osse. ’s Middags werd de terugtocht aanvaard om half twee, om omstreeks half vijf tot vijf uur in de namiddag in Kuinre aan te komen. In de loop van de jaren dertig kregen de genoemde ondernemingen - die van beteke­nis waren voor de werkgelegenheid in het dorp - de beschikking over enige vrachtauto’s. Na de oorlog nam het wegtransport snel toe mede ten koste van de beurtdiensten met de boten. Er was nog een schip dat in Kuinre zijn domicilie had, dat was het “schutsje” van de familie Slagter. Slagter handelde in turf: baggelaars doch ook wel zogenaamde lange turf. De turf werd betrokken uit de Friese en Drentse veengebieden en afgezet bij legio vaste klanten in Kuinre. Daar het schip niet van een motor was voorzien, was men sterk afhankelijk van windrichting en windkracht. Wanneer er tegenwind was, moest het schip getrokken worden d.m.v. een lange lijn. Bij het laden en lossen van het schip werden lange zware dagen gemaakt. Op de schepen van de gebroeders Hendrik en Jan Zijlstra, respectievelijk de “Martha” en de “Zeemeeuw”, komen we in het verdere verhaal terug [deel 3 – red.]. De “Martha” had domicilie in Kuinre, de “Zeemeeuw” in Sneek. Uiteraard kwamen meerdere schepen uit andere plaatsen zaken doen in Kuinre. De scheepvaart voor Kuinre werd via de Linde helemaal onmogelijk gemaakt toen in de loop van de jaren vijftig de sluis onder de grond werd gewerkt, de Linde versmald werd tot een (stink)sloot en op het Noordeinde van Kuinre een dam in de Linde werd gelegd. De betreffende dam diende voor een betere bereikbaarheid van het Rondebroek.

Verbindingen te land
Hoewel Kuinre destijds goede verbindingen had met de buitenwereld via waterwegen waren de mogelijkheden via de wegen op het land minder goed. Voor grotere afstanden moest men de beschikking hebben over paard en wagen (sommigen gebruikten nog tot in het begin van de jaren dertig een kar getrokken door één of twee honden). Verder kon men zich verplaatsen per fiets doch niet iedereen had de beschikking over een fiets en veel mensen waren aangewezen op lopen en dit soms over nogal grote afstanden. In het begin van de jaren twintig begon Jan Oord met een busdienst, “de Eerste Kuinderse Busonderneming” (EKBO) naar Blokzijl, waarmee naast passagiers tevens de post werd vervoerd. Of de bus in het begin verder ging dan Blokzijl is mij niet bekend, doch vanuit Blokzijl kon men desgewenst met de tram naar Zwolle. In latere jaren (eind jaren twintig, begin dertig), Oord was inmiddels verhuisd naar Blokzijl, ging de busdienst beslist wel verder dan Blokzijl. Via Vollenhove, St.-Jansklooster, Blauwe­ Hand, Giethoorn was Steenwijk het eindpunt. In Blauwe Hand kon men over te stappen naar een busdienst op Meppel. In de strenge winter van 1929 ging Oord op 1 maart met enige passagiers met de bus over het ijs van de Zuiderzee naar Urk. Schipper H. Zijlstra was mee om voor de juiste koers te zorgen. Men kwam veilig aan op Urk. De terugtocht verliep iets minder voorspoedig daar men in het “bomijs” terechtkwam iets ten noorden van Blokzijl. Eind jaren twintig kwam er een busdienst in Kuinre van de firma Van der Vlugt en Timmer­man uit Oldemarkt, die via Ossenzijl, Oldemarkt, Blesse, Willemsoord ook Steenwijk tot einddoel had. De weg naar Oldemarkt was zeer matig onderhouden en zeer bochtig. Er werd vaak verteld dat vanaf de kruising Lageweg-Blankenhammerzeedijk naar Oldemarkt de weg negenennegentig bochten telde. In de jaren dertig werden in het kader van werkvoorziening vele bochten in dit wegtraject rechtgetrokken. Dezelfde firma had vanuit Oldemarkt een busdienst op Steenwijk via Paasloo, Basse, Geld­eringen en Tuk [In De Silehamer 17/1-17/3;18/1 uitvoerige artikelen over Jan Oord].

Bakkerijen
Kuinre telde een viertal bakkerijen, die in onderlinge concurrentie zorgden voor de broodvoor­ziening van de mensen in het dorp, doch er werd ook bezorgd in Blankenham en op de Overijs­selse en Friese Lindedijk. Daarnaast kwam eenmaal per week bakker Brugge uit Slijkenburg in Kuinre om enige klanten te bedienen. De bakkers hadden een zwaar beroep, ’s morgens werd zeer vroeg begonnen. De ovens werden vooral gestookt met takkenbossen, later met olie. Na het bakken van het brood werd er gevent in het dorp, niet tegenstaande het feit dat iedere bakkerij een winkel had, waar de mensen de gehele dag brood konden betrekken. De klanten buiten Kuinre werden bezocht met een zwaar uitgevoerde transportfiets met grote lastdrager op het voorwiel en aan het stuur, met daarop een grote pitrieten mand, volgeladen met broden. Het bezorgen van brood in weer en wind op deze wijze vergde veelal veel energie en grote krachtsinspanningen. In de jaren twintig kregen enige bakkers de beschikking over paard en wagen en in de jaren dertig waren er een paar die gebruik maakten van een auto. Het brood kwam grotendeels overeen met de tegenwoordige soorten. Enkele vertoonden enig verschil, zoals witte broden, die wat platter, breder en korter waren dan witte bollen. Krentenbroden, ook wel stoeten genoemd, waren destijds zeer algemeen. Uiteraard werden koekjes gebakken en veelal op bestelling taartjes of taart. Vermeldenswaard is wellicht dat sommige klanten kleine zakken met in schijven gesneden appels naar de bakker brachten om te laten drogen bij de oven. Die gedroogde appelschijven werden gedurende de winterperiode gebruikt bij de middagmaaltijd.

Slagerijen
Er waren in Kuinre drie slagerijen voor rundvee en varkens. De verkoop vond vooral plaats in de winkel, ook werd er uitgevent. Naast rund- en varkensvlees werd vooral ook worst verkocht, vooral bloed- en leverworst. Verder doorregen vers of gerookt spek en gezouten spek naast hoofdkaas. De slagers verzorgden ook huisslachtingen die vooral bij boeren plaatsvonden doch ook bij arbeiders. Voor huisslachting waren meestal varkens bestemd. Na slachting werd het varken wijduit opgehangen aan een ladder, met het binnenste buiten en de kop naar beneden. Dit was om goed te kunnen besterven. Ruim een dag later werd het karkas in stukken gesneden. Hoe meer vet in het varken zat en hoe dikker het spek was des te hoger werd de kwaliteit gewaardeerd. De darmen en de maag werden direct na slachting schoongespoeld en gebruikt bij de worstfa­bricage. De blaas was bestemd voor de kinderen om er na opblazen mee te spelen.

Smederijen
In het dorp waren een drietal smeden werkzaam die daarnaast een winkel hadden. Door het aanwezig zijn van een flink aantal paarden in het dorp en de omgeving, was “hoefbe­slag” een zeer belangrijk onderdeel van de werkzaamheden. Het ijzer werd gesmeed; na het kappen van de hoef werd het ijzer sterk verhit en aan de onderkant op de hoef geplaatst. Veelal moest het ijzer enige malen worden gemodelleerd om de juiste pasvorm te bereiken alvorens met draadnagels aan de hoef van het paard te worden bevestigd. Bij het plaatsen van de hete ijzers tegen de onderkant van de hoeven begon de hoornhoef te schroeien; er ontstond een flinke walm en op zeer ruime afstand kon men de schroeilucht van hoorn ruiken. Het beslaan van paarden vereiste grote vaardigheid en ervaring. De smeden hadden het liefst rustige volgzame paarden die men “uit de hand” kon beslaan. Onwillige paarden leidde men naar de “noodstal” (soms met een doek over het hoofd wanneer ze de stal niet binnen wilden gaan). Hier werden ze vastgezet, terwijl dan tevens de hoeven die moesten worden beslagen één voor één op werkhoogte werden vastgezet. De smeden verrichtten uiteraard allerlei andere werkzaamheden zoals het aanbrengen van ijzeren “hoepen” om wagenwielen, het plaatsen en herstellen van kachels en ze verzorgden ook laswerk. Natuurlijk was men daarnaast rijwielhersteller, werden banden geplakt en de verlichting van de fiets in orde gemaakt (in de jaren twintig nog carbidlampen). Fietsen werden verhuurd, ook aan kinderen die het fietsen nog moesten leren. Dit kon meestal voor een luttel bedrag per uur of per middag. In die tijd moesten de kinderen echt fietsen leren en het kostte velen nogal moeite. Het trappen en het sturen moesten beide geleerd worden. Om het aantal keren vallen te beperken, was geruime tijd de hulp van broer, buurjongen of ouder nodig. In de winkel had de smid allerlei soorten gereedschap en diverse huishoudelijke gebruiksvoor­werpen en apparatuur. Eén van de toenmalige smeden was meteropnemer voor vaststelling van het elektriciteitsver­bruik. Hij ging zich meer en meer specialiseren op het terrein van elektriciteit en legde zich toe op het herstellen van storingen en het aanleggen van nieuwe leidingen.

Timmer- en schilderbedrijven
Het dorp had ook een drietal timmer- en een drietal schildersbedrijven. De timmerbedrijven verzorgden vooral veel onderhoudswerkzaamheden. Er was betrekkelijk weinig werk in het kader van nieuwbouw, waarbij zeer zeker de grote crisis van de jaren dertig een hele grote rol heeft gespeeld. De mensen moesten allemaal erg zuinig zijn en waren terughoudend met het laten uitvoeren van werkzaamheden. Aan het eind van de jaren dertig waren er slechts twee timmerbedrijven over. Toen de bouwwerkzaamheden in de Noordoostpolder begonnen in het begin van de jaren veertig, vestigde zich in Kuinre een bouwonderneming die de oorspronkelijke timmerbedrijven snel overvleugelde. Ook de aanwezige schildersbedrijven moesten een flinke strijd voor het bestaan leveren. Omstreeks 1939 beëindigde één bedrijf de werkzaamhe­den en vertrok de eigenaar naar het westen van het land. De twee andere bedrijven bleven bestaan, mogelijk mede doordat men neveninkomsten had. Het ene bedrijf had een winkel waarin niet alleen verf, behang en kwasten werden verkocht doch tevens o.a. allerlei kruidenierswaren. De eigenaar van het andere bedrijf was parttime werkzaam bij de PTT. De schilders kregen weer meer mogelijkheden toen werkzaamheden in de Noordoostpolder konden worden uitgevoerd. Voor één van hen leidde dit zelfs tot de beslissing het bedrijf te vestigen in de nieuwe polder.

Manufacturenzaken
In Kuinre werden bijzonder veel winkels geëxploiteerd, er waren tenminste twee winkels op vijf huizen. Er waren zeker vier manufacturenzaken. Hier werden flanellen, katoenen en wollen stoffen verkocht, veelal afgemeten per el (68 cm). Daarnaast kon men er knotten wol, garen, band, elastiek en eventueel knopen kopen, doch ook direct voor het gebruik gerede artikelen zoals shawls, mutsen en truien. Truien, kousen en sokken werden meest door de huis­vrouw zelf thuis gebreid. Bij één van de textielwinkels kon men brillen kopen. Men kon kiezen uit een doos vol en na het passen en proberen van meerdere exemplaren via enige bladzijden papier bedrukt met verschil­lende lettergrootten kon vaak een keus worden gemaakt. Veelal waren het mensen op gevorderde leeftijd, die van deze gelegenheid een dankbaar gebruik maakten. Een arts, opticien of oogarts kwam er uiteraard niet aan te pas. Bij een andere textielzaak gaf de vrouw des huizes af en toe korte cursussen aan meisjes en jonge vrouwen in knippen en naaien van kleding. Dat ook de concurrentie groot was bij de manufacturenzaken moge blijken uit het feit dat ook regelmatig zakenlieden uit Blokzijl en Wolvega hun producten en diensten kwamen aanbieden.

Kuunders Kwartiertje mei 2015

Ingenieur Yme Kroes is in het Rondebroek geboren op 11 september 1919 en overleden te Kuinre op 19 februari 1998. Als Rijksveeteeltconsulent voor de varkensfokkerij werkte hij mee aan voorlichtingsfilms over Voeding van varkens (1954-1958) en Varkensziekten (1959-1961). Hij bracht een werkbezoek aan Denemarken (1957) en sprak op het ministerie van Landbouw en Visserij over de import van vreemde varkensrassen (1961). Ook schreef hij samen met ir. E.F. Geessink het boekje Varkensfokkerij en -houderij (2e dr. 1960).
Voor HVIJ-kwartaalblad De Silehammer schreef ir. Kroes een reeks van vijf artikelen over Kuinre: Historische facetten en persoonlijke herinneringen met name over de periode 1920-1940. Het laatste artikel in deze reeks verscheen kort na zijn overlijden. De redactie van De Silehammer brengt deze artikelen met genoegen onder de aandacht van de lezers van het Kuunder Kwartiertje. Door middel van [– red.] zijn spaarzaam enige verduidelijkingen aangebracht.

Kuinre is een oude plaats met een historie van enige betekenis. Reeds in een kroniek van 1165 komt de naam CUENRE voor. In de tweede helft van de twaalfde eeuw (1150-1200) wordt het Kuinderdiep gegraven, waarbij ten westen hiervan een dijk wordt gelegd waarlangs bewoners zich vestigen. De eerste burcht dateert ook uit deze tijd.
Kuinre is gelegen in een waterrijk deltagebied waar de Tjonger (ook wel genoemd de Kuijnder of Cunera Floed) en de Linde een grote rol speelden. De plaats heeft altijd toegang gehad tot de Zui-derzee die omstreeks 1170 is ontstaan na zware overstromingen gepaard gaande met veel landverlies. Ook later trad veel landverlies op, o.a. bij de zware storm van 1375, waarbij Venehuizen (ZW van Kuinre), Espel en Nagele (NO van Urk) teloor gingen. De Tjonger en de Linde voerden water af van de Drentse Zandgronden en de uitgestrekte veengebieden in Friesland. De oorsprong van de Tjonger wordt ongeveer gezocht tussen het Drentse Veenhuizen en Haulerwijk, terwijl wordt aangenomen dat de Linde ongeveer zijn oorsprong had in Tronde, in de omgeving van Elsloo. Beide rivieren stroomden in ZW-richting, waarbij de Tjonger vanaf Schoterzijl een oostelijke koers ging en uitkwam bij Slijkenburg. Bij dit plaatsje mondde de Linde uit in de Tjonger en gezamenlijk stroomden deze riviertjes verder door het gebied van het Rondebroek om vervolgens enige honderden meters ten oosten van Kuinre in de Zuiderzee uit te monden. In deze situatie kwam een sterke wijziging toen in 1433 de polder “Het Bedijkte Rondebroek” ontstond. Hierbij werd de Tjonger ten noorden van Kuinre afgedamd. Het water van Tjonger en Linde werd geleid naar het Kuinderdiep dat reeds in de twaalfde eeuw was gegraven. De afgedamde bedding van de Tjonger in het Rondebroek is voor een deel nog te zien. Voor de Tweede Wereld-oorlog was het op bepaalde plaatsen een zeer brede sloot met als naam “De Oude Kuunder”. Deze liep ongeveer vanaf de boerderij van de familie Bouma in zuidelijke richting voor een aantal boerderijen langs (o.a. voor Begijnhof en langs Vollendam) richting Antjeskolk [Bouma, Lindedijk 1; nog dichter bij de Oud Kuinder ligt de jongere boerderij van Kroes, Lindedijk 1/A].
Door verzanding van de toegang tot de Zuiderzee werd in 1743 het Scheepsdiep gegraven ten westen van Kuinre. Dit droeg bij tot vergroting van economische activiteiten, o.a. handel met Amsterdam in boter en turf. Daarnaast waren enige scheepswerven in exploitatie. In 1835 werd het onderhoud van het Scheepsdiep overgenomen door de Provincie, terwijl eveneens 27 ha land langs het Scheepsdiep als eigendom naar de Provincie ging.
Door de aanleg in 1702 van de Havendijk of Zeedijk van Schoterzijl naar Slijkenburg kwam de Buitenpolder achter Kuinre buitendijks te liggen. In 1710 werd het gebied omkaad met een zomerdijk op kosten van de Staten van Overijssel. Hierdoor ontstond de eigenlijke Buitenpolder. De gehuchten Veenhuizen en Wijberga konden geen stand houden en verdwenen in de loop van de achttiende eeuw. Het land van de Buitenpolder was oorspronkelijk van weinig waarde. Pas in 1775 werd het land op last van de Staten van Overijssel bezwaard met grondbelasting. Het Waterschap Buitenpolder achter Kuinre ontstond in 1852, doch ging in 1964 over in het Waterschap Vollenhove. In de eerste helft van de negentiende eeuw (1836-1842) werd het Nieuwe Kanaal gegraven tussen Kuinre en Slijkenburg. Dit hield een aanmerkelijke dijkverzwaring in tussen Kuinre en Slijkenburg en tevens achter Kuinre zelf.
Doortrekking van de dijk naar de Friese Zeedijk (Statendijk) betekende dat nu het water van de Tjonger (Tussenlinde) via het Nieuwe Kanaal en het Scheepsdiep naar zee werd afgevoerd. Vanaf Schoterzijl werd de Worstsloot (of Stevenssloot) verbreed zodat de Tjonger ook hier langs in zee kon afvoeren. De Linde bij Kuinre werd in 1843 afgesloten door een waaier¬sluis. In mijn jeugd waren Lindehaven en Tjonger gescheiden door hoge sasdeuren. Deze sasdeuren hadden een zeer belangrijke functie voor waterkering. De Zuiderzee stond onder invloed van eb en vloed die uiteraard ook tot uiting kwamen in de haven en de Tjonger. Onder normale omstandigheden kon water van de Linde bij eb (lage waterstand in de haven) afgevoerd worden. Er waren echter omstandigheden, bijvoorbeeld bij langdurige harde wind uit het westen, respectievelijk uit het noordwesten, dat het water uit de Zuiderzee tot hoog of zeer hoog peil werd opgejaagd. De sasdeuren konden dan uiteraard niet geopend worden. Wanneer dit gelijktijdig plaats vond in het stroomgebied van de Linde, kwam ook het Lindepeil sterk omhoog. Ik herinner mij dat in het begin van de jaren twintig van deze eeuw op het Noordeinde van het dorp het water soms tot aan de straat toekwam. Door kanalisatie en het aanbrengen van waterstaatkundige werken in de loop van de Linde en de Tjonger kwam hierin eind jaren twintig en begin jaren dertig aanzienlijke verbetering. Op het Noordeinde van Kuinre kwam in 1928 de sluis tot stand, die een positieve invloed heeft gehad op de regulering van de waterstand doch ook op een meer ongestoorde scheepvaart. Het betekende echter wel dat er een flinke wijziging kwam in de verkeersstroom van en naar het dorp. Tot 1928 ging het verkeer via de brug bij de Nieuwstad. Deze brug werd vervangen door een veel smallere brug, terwijl de normale verkeersbrug aan de Noordzijde van de sluis een plaats kreeg. Hierbij werd het noodzakelijk een stukje weg aan te leggen tussen de petgaten van “Pampus” en de “Nachtweide” voor verbinding met de oude Blankenhammerzeedijk. Aan de oostzijde van de “Nachtweide” bevonden zich de “Putten”, gedeeltelijk op de plaats waar zich momenteel het Vijverpark bevindt. De “Nachtweide” was een stuk dijk waar de koeien, die overdag (destijds onder toezicht) op de Blankenhammerzeedijk geweid werden ’s avonds naar toe gebracht werden.

Het dorp en zijn bewoners
Kuinre is een langgerekt dorp, ingeklemd tussen het “Kanaal” (de Tjonger) en de Linde. Met name aan de westkant van de straat stonden de huizen mannetje aan mannetje. Aan de oostzijde kwamen nogal eens enige onderbrekingen voor. Aan deze laatste zijde kwamen ook een drietal stegen voor die met huizen bebouwd waren tot aan de Linde. Aan de westzijde bevond zich slechts één bebouwde doorgang naar de Sleep.

Visserij
Op het Zuideinde van het dorp woonden met name de vissers. Ze hadden de boten in de haven gemeerd juist over de brug. Er werd in het begin van het jaar veelal gevist op spiering en vervolgens op ansjovis. Hierna viste men op haring en platvis, vooral op de zo bekende zuiderzeebot. De Kuunderse vissersvloot was niet zo omvangrijk: een drietal grotere vissersschepen, waarvan één van het type Vollenhoofse bol, terwijl de andere twee het type hadden van de Kuunderpunter, doch deze waren aanmerkelijk groter. Daarnaast kwamen een tweetal echte Kuunderse punters voor (overeenkomend in type met de KU II, een boot waarmee Kuinre gepromoot wordt). Verder waren er nog een paar gewone punters en enige kleinere bootjes.
Voor het vangen van vis moest nogal wat werk worden verzet. Naar zee varen, de netten uitzetten en later weer binnenhalen. De boten en de zeilen moesten worden onderhouden. Dit gold ook voor de netten; schoonmaken, drogen, eventueel herstellen en voor verduurzaming af en toe tanen. Wanneer de vissers op zee plotseling werden overvallen door slecht weer moest dekking worden gezocht, soms in het Friese haventje Laaksum. De gevangen vis moest uiteraard verkocht worden.
Er waren twee rokerijen in Kuinre waar vooral haring gerookt werd tot de bekende strobokking. Eén eigenaar van een rokerij verhandelde ook veel vis. Hij was met name georiënteerd op Zuid- Friesland en deed dit met de hondenkar. Later, met paard en wagen, werden grotere hoeveelheden vis aan de man gebracht. De eigenaar van de andere rokerij zocht de afzet meer richting Oldemarkt. De familie Dikken had een vrachtdienst met paard en wagen op Lemmer en vervoerde regelmatig vis voor afzet aan bepaalde adressen aldaar. Ook op de fiets werd wel vis afgezet. Uit Vollenhove kwamen regelmatig een paar personen met een transportfiets met daarop ovale manden. Hierin werd bot geladen die uitgevent werd in een deel van NW-Overijssel. Uiteraard werd ook veel vis geconsumeerd in het dorp zelf. Er werden bestellingen opgenomen om op een iets later tijdstip de vis te bezorgen. Ook werd er wel gevent door jongens die met een bakje strobokking van huis tot huis gingen. Soms twaalf stuks (een rijsje) voor een dubbeltje [rijst, rijs, rist = bundel; aaneengeregen aan stok of touw]. De vissers met de kleinere boten gingen niet zover de zee op. De Zuiderzee was gevaarlijk en wispelturig. Vis die niet direct verhandelbaar was, soms bot soms witvis, werd in karen gedaan, die in het water werden gelegd zodat de vis korte tijd kon overleven. Bij voldoende voorraad werd de vis afgeleverd of aangewend voor eigen consumptie. De visserij zorgde voor werkgelegenheid en had soms behoefte aan tijdelijke medewerkers. Behalve in de haven waren ook enige boten afgemeerd in het Puntergat (zuidoost van Kuinre). De vissers hier visten direct onder de kust. Eén van hen handelde ook in schelpen en zand. Om enige indruk te geven van het toenmalige prijsniveau: voor 10 cent kreeg men een kruiwagen vol scherpzand thuis bezorgd. Het zand werd gebruikt voor het indweilen tussen stoepstenen en tussen stenen van bepaalde stukjes straat, zodat dit een nette indruk gaf. In het leven van de vissers kwam een hele grote wijziging in het begin van de jaren dertig. De afsluitdijk tussen Noord-Holland (Den Oever) en Friesland (Zurich) kwam in 1932 gereed en het betekende dat de Zuiderzee niet meer in directe verbinding stond met de Noordzee, zodat ook de toevoer van vis uit de Noordzee niet meer mogelijk was. De naam Zuiderzee werd gewijzigd in IJsselmeer. Voor de vissers hielden de ontwikkelingen in dat zij bij de vorderingen van de Zuiderzeewerken hun broodwinning moesten opgeven hetgeen een bijzonder hard gelag betekende. Op basis van de toenmalige Zuiderzeewet kregen de vissers wel een financiële tegemoetkoming, doch dat is altijd “peanuts” wanneer men gedwongen zijn beroep moet opgeven. Jongeren uit de families van vissers konden in aanmerking komen voor het volgen van een studieopleiding. Jongvolwassenen werd zo mogelijk hulp geboden bij het krijgen van een werkkring bijvoorbeeld bij de spoorwegen, posterijen of als brugwachter.

Deze ophaalbrug over de Linde bij de Nieuwstad in Kuinre lag er tot 1959, toen de rivier de Linde werd afgedamd. Doch bij het herstel van de sluis in 1989 kwam er weer een brug, nu een hoge vaste brug met doorvaarhoogte van 2,60 m. ter wille van de pleziervaart. Aan de overkant nog zichtbaar het bovenstuk van de kerkgevel aan de Henric de Cranestraat.

Kuunders Kwartiertje februari 2015

Tussen ruwweg 1200 en 1400 werd het beeld van Kuinre gedomineerd door de roemruchte Heren van Kuinre. Ridder Henric de Crane en zijn nakomelingen stonden vaak als eerste getuige genoemd in oorkonden van de Utrechtse bisschop, hun landsheer. Hun sterke, strategisch gelegen maar ook afgelegen burcht aan de rand van de bisschoppelijke invloedssfeer, verleidde de Heren tot eigenmachtig optreden. Zij gingen zich graaf noemen, sloegen munten en vielen de Hanzekooplieden lastig. Dit bezorgde hun de reputatie van roofridders en valsemunters. Het ging niet zozeer om roof, meer om ‘verplichte’ tol op de Hanzeroute van IJsselschepen langs Kuinre naar de Oost-zee. Destijds was de bisschop meer krijgsheer dan geestelijk leidsman, getuige de strafexpedities tegen de Stellingwervers in de strijd om de weiderechten op de IJsselhammer Broeklanden.

Friedrich von Blankenheim (±1355-1423), bisschop Frederik III van Utrecht (1393-1423)
Deze edelman uit de Eifel stond bekend om zijn rechtskennis. Als bisschop van Utrecht stelde Frederik financieel en bestuurlijk orde op zaken. Ook als landsheer toonde hij zich een krachtig bestuurder. Hij slaagde erin de wereldlijke macht van het bisdom te herstellen. Op 22 augustus 1407 kocht de bisschop de burcht te Kuinre met geldelijke steun van de Hanzesteden Deventer, Zwolle en Kampen. Daarmee kwam feitelijk een einde aan de macht van de Heren van Kuinre. Zijn kerkelijke taken liet Frederik grotendeels uitoefenen door wijbisschoppen (hulpbisschoppen). Onder zijn bestuur zijn veertien nieuwe parochiekerken opgericht, waaronder in 1418 die in de buurtschap In den Ham, die zich toen mocht afscheiden van de kerk van Silehem/IJsselham onder de nieuwe naam Blankenham, gekregen van, in feite opgelegd door de bisschop. In boeken gaat de meeste aandacht uit naar Frederik als krijgsheer, van wie werd gezegd: “die eens leeuwenmoet hadde ende eens evers coenheyt” [dus koen als een wild zwijn] Zijn wapen, zegel en een munt in: Dijkkrant Blankenham 2014-4 (aug), 2014-5 (okt), 2014 (dec)

Grafschrift van Frederik van Blankenheim uit 1423 vermeldt Kuynre
Frederik stierf op 9 oktober 1423, oud 78 jaar, op zijn kasteel Ter Horst bij Rhenen. Zijn stoffelijk overschot is bijgezet aan de zuidkant van het koor in de Dom te Utrecht. De tombe moet prachtig zijn geweest, maar is in 1586 ten tijde van de Reformatie vernield. Het Latijnse grafschrift is bewaard in het Magnum Chronicon Belgicum, een compilatie van teksten, samengesteld na 1498. Merkwaardig, het grafschrift roemt enkel zijn verdiensten als wereldlijk vorst; zelfs de koop van Kuynre wordt vermeld! Aan onze eigen vertaling zijn tussen vierkante haken jaartallen toegevoegd. Everstein en Nijenstein van de Heren van Arkel lagen bij Everdingen aan de Lek, dicht bij Utrecht en vormden dus een reële bedreiging.

De grootse leider Fredericus van Blankenheim
uit een edel geslacht wordt bijgezet in dit bouwwerk.
Het afvallige Coevorden heeft hij teruggeroepen en het graafschap Drenthe  [1395]
teruggegeven aan de Kerk en verenigd met het vaderland
het eerder ontvlode Groningen en tevens heeft hij gebouwd                      [1405]
[de burcht] Holten maar bovendien Kuinre teruggehaald door het te kopen. [1407]
Stellingwerf heeft hij bedwongen en verbrand Schoterwerf:                       [1413]
Zo heeft hij geschaad de schuldigen, gebaat de onschuldigen.
Hij heeft verbrijzeld Nijenstein voor zijn fouten en ook Everstein.                  [1405]
Driemaal tien jaren heeft hij geregeerd voor zijn dood.            [bisschop 1393-1423]
Tien tweemaal en honderd viermaal, eenmaal duizend wordt geschreven en drie
op oktober negen heeft hij de goede strijd gestreden.   [20+400+1000+3 = 1423]

Kuunders Kwartiertje december 2014

Regalen of regalia zijn rechten, voorbehouden aan de koning of de keizer, werden veelal overgedragen aan territoriale machtshebbers als hertogen, graven, bisschoppen. Kennelijk bezaten de heren van Kuinre een complex landsheerlijke rechten als van grote landsheren. De bronnen over Kuinre  vóór 1407 zijn vrij schaars, maar in ieder geval bezaten de heren deze rechten:
  • hoge en lage jurisdictie; betrof halszaken, het gewone strafrecht en de civiele rechtspraak, ook notariële taken als het opmaken van testamenten en opstellen van verkoopakten.
  • marktrecht; dit ‘stedegelt’ werd geheven van kooplieden, die hun waren in Kuinre ter markt brachten. Een uitzondering vormden de vrij toegankelijke jaarmarkten.
  • gruitrecht; gruit was een kruidenmengsel met o.a. rozemarijn en gagel, tot ca. 1400 gebruikt bij het bierbrouwen, nadien vervangen door hop.
  • tolrecht; tolheffing zowel te water als te land.
  • muntrecht; het kwam meer voor, dat munten werden nagemaakt; bedenkelijk was, dat de heren vaak minder zilver gebruikten, dus munten van lager allooi sloegen te Emelwart.

De heren van Kuinre zullen stellig meer rechten hebben bezeten, zoals het visrecht. Zij bezaten niet het windrecht: het recht om een molen te bouwen en te laten draaien. Dat recht kwam toe aan de buren van Cuynre (term 22 maart 1385), d.w.z. de Kuinderse dorpsgemeenschap. Overigens, heren, ook die van Kuinre, dienden zich te gedragen naar plaatselijk gewoonterecht.

De heren versus de gemene bueren van Cunre ende van Veenhuesen (term 7 juni 1405)
Het zogenaamde buurrecht van Kuinre is een rechtsoptekening van 22 maart 1385. Hieruit blijkt dat Kuinre, dat als haven-, handels- en marktplaats economisch beschouwd een stedelijk karakter droeg, toentertijd ook in juridische zin een stad was, al is het nooit ommuurd geweest. Tot begin  zeventiende eeuw werd Kuinre beschouwd als behorende tot de kleine Overijsselse steden. In dit buurrecht was vastgelegd dat de heer van Kuinre een schout benoemde die namens hem als rechter optrad, behalve wanneer de heer zelf het zogenaamde ‘greveding’ voorzat. Ding = rechtszaak, dus van de graaf, zoals de heren zich later betitelden. Het rechterlijk college bestond verder uit drie schepenen: één benoemd door de heer, één door de schout en één door de buren, de gezamenlijke inwoners van Kuinre. De invloed van de bueren was dus gering: een tegen twee, maar wel belangrijk. De heer had recht op een deel van de verbeurde boeten en op een derde deel van het door zijn onderdanen gevonden ‘drijffgoet’. Ook had de heer recht op marktgeld, ‘stedegelt’. De heer beschikte niet over het windrecht, dat was voorbehouden aan de Kuinderse gemeenschap. De afspraken omtrent de rechten van burgers werden ook gerespecteerd nadat heer Herman II zijn burcht en heerlijkheid had overgedragen aan bisschop Frederik van Blankenheim in 1407.

Kuunders Kwartiertje 2014 nr.3Stadszegel van Kuinre
Doorgaans is er meer aandacht voor de heren van Kuinre dan voor de ingezetenen. Een uitvoerige behandeling van hun buurrecht is beoogd voor De Silehammer 22/4 van december 2014. Hier alvast een afbeelding van het stadszegel van Kuinre uit 1399. Dat Kuinre zo’n zegel bezat, wordt duidelijk verwoord aan het eind van de overdrachtsakte van 13 augustus 1407, waarbij bisschop Frederik van Blankenheim de heerlijkheid Kuinre verwierf:  … so hebben wy Schulte ende Scepene van Kuynre voerscreven [= bovenvermeld] onser Stadt zegell van Kuynre an dessen brieff gehangen.

Het oudste zegel van CVNRE uit 1399: een kogge-achtig bootje met kajuit en met stuurman. Het randschrift luidt: GHEMENE BVRE VAN CVNRE. Bron: H. Ewe, Schiffe auf Siegeln, Rostock 1972, p. 145 nr. 88.
NB: letter V destijds voor zowel V als U gebruikt: ghemene (= gezamenlijke) burghers van Cunre.

Kuunders Kwartiertje augustus 2014

De collectie ‘oude kranten’ van de Koninklijke Bibliotheek is nu nog beter toegankelijk via de site www.delpher.nl. De oudste Nederlandse krant is van 1618. De Haerlemsche Courant dateert uit 1656, vanaf 1664 genaamd Opregte Haerlemsche Courant (OHC). De Amsterdamse Courant(AC) verschijnt vanaf 1670. Beide kranten zijn ook voor onze regio van belang.

Oude spellingsvarianten van Kuinre
In oude documenten staan de namen Cunre (1180) en Kunre (1132). Die lijken voor te komen in kranten uit 1707 en 1740, maar daar zijn het foutieve ‘lezingen’ van de computer voor bv. kunnen.
Kuynder en Cuynder/Cuynre komen het eerst voor in oude kranten. Schrijfwijzen met -i- in plaats van -y- zijn altijd later. De vormen eindigend op -der duiden aanvankelijk vooral op de rivier, niet de plaats. Maar in een en hetzelfde bericht uit 1678 komt de plaats voor als Cuynre en als Cuynder! In kranten zijn het jongst de spellingen Kuynre, vanaf 1789, en Kuinre, pas vanaf 1806.

Gevolgen van het rampjaar 1672
In 1672 werd de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden aangevallen door Engeland, Frankrijk en de bisdommen Keulen en Münster (bisschop Bernard von Galen, “Bommen Berend”). Gezegde: Het volk was redeloos, de regering radeloos en het land reddeloos. De OHC brengt op 5 september 1673 een bericht uit Heerenveen van 30 augustus: de vijand heeft de schans bij de Blesbrug geslecht en trekt plunderend en rovend rond, zowel aan gene zijde van de Linde als aan deze kant van de Kuinder (de rivier; ſ = lange s).

In 1675 is de kerk in de Kuinder schans in het strijdgewoel door brand verloren gegaan. Op 26 april+5 mei 1678 meldt de Oprechte Haerlemsche Courant de aanbesteding van de nieuwe kerk, de huidige Protestantse kerk. De scan van deze krant is zeer slecht te lezen; de tekst luidt: “Werdt by desen bekent gemaeckt, dat de Regenten, soo van Politie als Kercke, der Heerlijckheyt Cuynre voornemens zijn op den 2 Mey Oude- of den 12 Nieuwe-stijl 1678 te besteden het maecken van een Nieuwe Kercke in de voorn. Plaetse; waervan de Teyckeninge alleen te sien is in de Cuynder, maer de Bestecken t’ Amsterdam by Jan Bonum, Aenspreker over d’Eenhoorn-Sluys, in d’eerste Dwars straat, en tot [= te] Hinlopen by Evert Claessen, Mr. Timmerman, desgelijcx in de Cuynder. De Gegadingde konnen haer [= zich] ter voorsz. [voorzeide] tijt aldaer vervoegen.” Cuynre, als naam verbonden met de Heerlijkheid, lijkt te worden verdrongen door Cuijnder. NB: bij de kalenderhervorming van 1582 volgde op donderdag 4 oktober meteen vrijdag 15 oktober. Protestantse landen volgden niet meteen, het westen van ons land eerder dan het noorden. De Friese Âlde Maaie, nu 12 mei, verwijst naar 1 mei: de dag waarop men vroeger van betrekking veranderde en dus ook vaak ging verhuizen (uitvoerig: HVIJ-site > Silehammer 18/2, juni 2010).

Kuunders Kwartiertje mei 2014

Het Rondebroek valt grotendeels onder de voormalige gemeente Blankenham. Het kleine Kuinder deel van het Rondebroek bleef lange tijd onbebouwd. Ooit stond er in de uiterste zuidwestpunt  erve Wehda. Ook bekend als Dompselaars Hofstede. Al in 1670 wordt “Het Erve Weda van de Schoute Dompselaar” vermeld in Kamper archieven. NB: spellingen Weda, Wheda, Wehda.
In 1760 wonen Willem Hanzen en Tetje Inses op boerderij de Blauwhof, bekend van de daarin gevestigde RK schuilkerk, aan de Lindedijk nabij Slijkenburg, ongeveer tegenover Prikkenoord.
Twee zonen zijn van belang. Hans Willems, geboren 1757, wordt op 22 november 1782 bij de doop van een dochter door de pastoor aangeduid als Hans Willem Blauwhof. Broer Yn(t)se Willems, geboren 29 april 1763, ging na zijn huwelijk met Renske Teunis in 1783 als pachter naar Erve Vollendam in het Rondebroek, direct benoorden Erve Wehda. Op 17 mei 1791 verkoopt Jan Sylvester van Dompselaar dit Erve Wehda aan Yntse. Bij de doop van een dochter op 6 maart 1784 vermeldt de pastoor hem reeds als Ynses Willems Weda.  Hoe dan ook, die achternam is ontleend aan de hoeve. Op 17 juni 1810 overlijdt Yntse. Anderhalve maand tevoren heeft hij nog de voogdij geregeld over de kinderen uit zijn tweede huwelijk. Zijn nalatenschap bestaat uit twee boerderijen: Jacob Hillebrandserve en Erve Wheda, “met 45 dagmad hooij en weideland, staande voor en achter de Kuinre”. Van de kinderen hebben slechts twee de naam voortgezet. De nazaten van zoon Pier, uit het eerste huwelijk, noemen zich Wheda, die van zoon Albert, uit het tweede huwelijk, echter Weda: vooral in Friesland en Overijssel, zoals in Oldemarkt/De Hare.
Waarschijnlijk is Erve Weda bij de watersnood van 4 februari 1825 weggespoeld of onherstelbaar beschadigd en niet meer opgebouwd. Blijkens het kadaster van 1832 bestond het toen niet meer, het perceel is dan als weiland eigendom van Wybe Rommerts Brandsma.
Door het bezwijken van de Lindedijk bij Kuinre was het water kortstondig iets gezakt, waardoor een vrouw met zes kinderen, dicht bij Kuinre wonend, gered kon worden; haar man was afwezig. Met een boot uit Kuinre wisten vier mannen de bedreigde woning te bereiken en vrouw en kinderen, die te bed lagen, in de boot te krijgen. Terugkeer naar Kuinre was onmogelijk door een nieuwe doorbraak. Het lukte Erve Wehda te bereiken, waar ze op het hooi hun leven wisten te behouden.

De Oude Kuinder, nu nog slechts een sloot, is de oude grens tussen Kuinre en Blankenham. Erve Wehda lag pal naast de Antjeskolk en vlak achter de Zeedijk (weg met dwarsstreepjes).
Het huidige Vijverpark links-onder wegdenken: de buitendijkse kuststrook heette de Uiterdijken.
Uitvoeriger versie van dit artikel, met uitleg van de naam Wehda: De Silehammer 17/4 (december 2009) 97vv. De locatie van Erve Wehda was toen echter niet correct  ingetekend.

Kuunders Kwartiertje februari 2014