Eerder geplaatst in HVIJ-kwartaalblad De Silehammer 19/1 (maart 2011).

Een vervolg over het Dagboek van Cip van de Bult uit Kuinre. In april 1888 krijgt hij een betrekking in Maassluis. De informatie van zijn periode in Maassluis is niet relevant voor ons gebied, maar de contacten die hij onderhoudt vanuit Maassluis met de mensen in Kuinre/Slijkenburg zijn best leuk om te lezen. Ook kwam hij geregeld terug naar Kuinre/Slijkenburg met het openbaar vervoer.
[Tussen vierkante haken verduidelijkingen van de redactie.]

April 1888

1. Hedenmorgen is R. van Koersveld uit Amsterdam alhier gearriveerd.
2. Kermis te Slijkenburg. Als vermoedelijke oorzaak van de weinige drukte, die er heerschte, is voorzeker de langen duur van den winter. Om zeven uur waren de herbergen ledig en de straat bijna onbevolkt. In gezelschap van J. Peters, G. en H. Doedel en G. Doedel Lzn. heb ik de kermis bezocht, ons verblijf was er echter van korten duur.
[Paaszondag 1 april 1888; dus Paaskermis]
3. Hedenavond vertrekt R. van Koersveld weer naar Amsterdam. Nog altijd bevindt er zich eenig ijs in de slooten.
10. In het kiesdistrict Steenwijk, waaronder ook Kuinre behoort, wordt heden verkiezing gehouden voor een lid der Tweede Kamer. Als kandidaat der anti-revolutionaire partij is gesteld: Jhr. Beelaerts van Blokland. Het weder is nog steeds koud; van tijd tot tijd ontlasten zich sneeuwbuien.
12. Heden is het maken van de Prot. Begraafplaats aanbesteed, het welk is aangenomen door W. de Lange voor ƒ 1220. Heden heb ik mijne benoeming voor buitengewoon opzichter van de waterstaat ontvangen; bij de werken van den waterweg langs Rotterdam naar Zee, ter standplaats Maassluis.
16.-17. Heb ik met mijn voogd T.E. van Koersveld afgerekend.
18. Naar Maassluis vertrokken, alwaar ik ’s avonds 8 uur aankwam, na te Rotterdam eerst op het
bureau van den Hoofd-Ingenieur te zijn geweest.
21. Na drie dagen in het Hotel de Moriaan gelogeerd te hebben, heb ik heden mijn kamer betrokken bij Wed. Veltenaar.
22. Heden heb ik voor het eerst de R.K. Kerk te Maassluis bezocht. Bedoeld kerkje ziet er nogal netjes uit van binnen. De W.E.H. Pastoor is een goed predikant. De tekstwoorden van de hedenmorgen gehouden predicatie waren: “Ita est Joseph”. (Gaat tot Joseph). De koristen zongen de Mis van Haller. [“Ite ad Joseph”, Genesis 41:55 – gaf goede raad aan de farao]
23. Voor het eerst heb ik hedenmorgen met mijn werk een aanvang gemaakt; dit bestond in het
overschrijven van een betalingsstuk alsmede een opgave van verplaatsing van peilraaipalen;
verder in het trekken van dieptelijnen op een rivierkaart en heb deze daarna gekleurd.
30. Nog altijd ben ik werkzaam voor het bureau van Ingenieur Gockinga.

Mei 1888

4. Vandaag heb ik toezicht gehouden op de uitvoering van het baggerwerk.
5. In verband met mijn benoeming, heb ik mijn ambtseed afgelegd schriftelijk in drievoud waarvan een op zegel, mede de declaraties ingezonden ook in drievoud, een op zegel.
8. Naar aanleiding van een door mij geplaatste advertentie in de Steenwijker Courant, betreffende het verhuren van mijn huis te Slijkenburg, dat tot 1 Mei j.l. is bewoond geweest door T.E. van Koersveld heb ik bericht ontvangen van Obe S. Bangma te Noordwolde, te kennen gevende bedoeld huis wel te willen huren. Om reden dat M. Rijsewijk mijn tent heeft verlaten, waarvan ik de verhuring mede had aangekondigd in de Str. Cour. heb ik heden 3 brieven ontvangen van lieden, die verklaarden de woning in huur over te willen nemen, het waren E. Ernst, J. Lietzen en L. van Dijk. Aan eerstgenoemde heb ik hem gelaten voor ƒ 20.
9. Thans ben ik geregeld als opzichter fungerend op het werk. We zijn met ons beiden als
toezicht hebbenden op het baggerwerk aangesteld; mijn collega heet Gorter. Om het ons niet
al te druk en lastig te maken, doen wij beurtelings om de 4 uur dienst. Van deze week hebben we de zaak geregeld als volgt: Gorter komt ’s morgens om 4 uur en vertrekt om 8 uur, dan volg ik hem op van 8 tot 12 uur; van 12 tot 4 uur doet Gorter weder dienst, van 4 tot 7½ uur is het weder mijn beurt. De volgende week is het omgekeerd; om de week heeft ieder onzer beurtelings de vroege dienst.
19. Hedenmorgen ben ik van Maassluis naar Rotterdam en van daar naar Amsterdam gegaan, waar ik R. van Koersveld en H. Peereboom heb opgezocht; in gezelschap van genoemde heeren ben ik over de Lemmer met de nachtboot naar Kuinre gereisd; omstreeks 8½ uur ’s morgens arriveerden wij te Kuinre. [Pinksteren 20+21 mei 1888]
20. Heden heb ik verschillende bezoeken afgelegd onder anderen ook bij den huurder van mijn huis te Slijkenburg O.S. Bangma, die sedert een paar [dagen] aldaar was gevestigd.
21. Afgerekend met Groenestege, den Weleerw. Heer Pastoor, Notaris E. Peereboom, Bangma en Kemme. Nadat ik in haast van de meeste bekenden afscheid had genomen, natuurlijk ook van A. Belt, zijne vrouw en Agnes, ben ik om 1½ uur van Kuinre naar Wolvega vandaar naar Arnhem en verder naar Rotterdam gereisd, alwaar ik …. uur aankwam. [tijdstip onleesbaar].
[spelling Belt vooral bij vader, spelling Beld bij Agnes]
Om reden dat ik geen verlof had aangevraagd en ik den 22ste ’s morgens vroeg op het werk moest zijn, had ik voor mijn vertrek met den kapitein van het sleepbootje (de Leonora) in dienst bij het baggerwerk, afgesproken, dat hij terugkomende van Dordrecht met het werkvolk, te Rotterdam even aan zoude leggen bij het Rijnspoorwegstation alwaar ik dan aan boorde zoude komen. ’s Nachts 1½ uur arriveerde het genoemde bootje op de afgesproken plaats; waarmede ik verder naar Maassluis ben gestoomd. Aldaar aankomende begaf ik mij naar huis, niet om rust te nemen van de vermoeienissen en het nachtwaken waarmede mijn reis naar huis was gepaard gegaan, maar om mij te verkleeden en op te frischen, om direkt naar het werk terug te keeren.
22. Heden heb ik toezicht op het baggerwerk en op den aanleg van den nieuwen dijk; wegens
afwezigheid van mijn collega.
29. Hedenmiddag heeft de stoomboot Maassluis II een baggermachine in de grond gevaren, die bezig was met het uitdiepen der haven; tien minuten na de aanvaring was de baggermolen in de diepte verdwenen. Het personeel is gered.
30. Heden heb ik kennis gemaakt met Ingenieur Nelemans mijn a.s. chef. Niettegenstaande het vandaag zondag (H. Sacramentsdag) is heb ik moeten werken. Vanmiddag is Ingenieur Gockinga (mijn chef) van hier naar zijne nieuwe standplaats Arnhem vertrokken. Daar de Maassluissche boot reeds van steiger was gegaan toen voornoemde Ingenieur hierop aankwam, heb ik met mijn boot Z.W.E.G. [Zijne Weldedelgestrenge] aan boord van de stoomboot gebracht, die te Rozenburg nog aan steiger lag; toen dit had plaats gehad namen wij nogmaals afscheid.

Juni 1888

3. Heden avond is in de kerk plechtige processie gehouden met het H. Sacrament, om het geestelijk en tijdelijk welzijn over deze gemeente van God af te smeeken; maar inzonderheid Gods Zegen te vragen over de vischvangst; van deze week gaat een groot deel der Maassluissche visschersvloot ter haringvangst uit. [Sacramentsdag valt tien dagen na Pinksteren, op donderdag; hier is de viering reeds verschoven naar de daaropvolgende zondag 3 juni. Meer hierover in de volgende Silehammer in een artikel over de monstrans uit Oldemarkt die in 1929 in bruikleen is gegeven aan Museum Catharijneconvent in Utrecht.]
7. Vanmorgen is de vloot ter haringvangst uitgezeild; dit vertrek werd opgeluisterd door muziek van het plaatselijk Fanfare Korps; de loggers waren met allerhande vlaggen netjes opgetuigd. Bijna geheel Maassluis was getuige van het vertrek.
10. De stoomboot Maassluis I heeft de baggermachine van Huyskens, die in den mond der haven bezig was met baggeren, aangevaren, de molen is dadelijk gezonken. Het personeel is gered. 15. Het opruimen van een gedeelte van het oostelijk havenhoofd is aangenomen door C. Kleijn, voor ƒ 14000.
20. Eindelijk is de genoemde baggermachine gelicht en verwijderd nadat hieraan dag en nacht gewerkt is; ’s nachts werd het terrein elektrisch verlicht.
24. Heden is de sleepboot “Zeldenrust” van den Heer van Hattem en Co (aannemer van het werk waarover ik als opzichter ben gesteld) door aanvaring met een geladen elevatorbak gezonken. Het personeel is gered. De kapitein lag in de kooi, onmiddellijk daarbij ontstond de opening, tevergeefs heeft hij getracht deze te stoppen met een kussen.
20. Het lichten van voornoemde boot is aangenomen door Arie Jansen Smit uit Rotterdam.
29. Hedenmorgen had men de boot in de kettingen hangen; tengevolge van deining die de Harwich boot veroerzaakte zijn deze gebroken, waarop de “Zeldenrust” wederom in de diepte verdween.
30. Gorter is naar Amsterdam, hierdoor heb ik het toezicht ook op den nieuwen dijk. De “Zeldenrust” is gelicht en op een droogte gebracht.
31. De smeden op de elevator werkzaam hebben een plaat op de door de aanvaring ontstane opening gezet; nadat het personeel van bedoelde boot het opknappingswerk voltooid had, is men dadelijk gaan varen.

 
De ouders van Agnes Beld: Antonius Harms Beld (1827-1907) [spelling Beld/Belt] en Christina Anna Peel (1895-1890). Beide begraven op de RK begraafplaats te Kuinre.

EEN KERFSNEEVAAS VOOR KUINRE
Onderstaand artikel is voorjaar 2017 geplaatst in het cultuurhistorisch tijdschrift Rondom Schokland. Omdat dit artikel een vraag bevat over Kuinre leek het de redactie van De Silehammer gepast om het ook te plaatsen. Wie weet levert het nog wat op. Reacties graag naar Linda Polderman
Henk Roersma, Lunteren

Fries kerfsneeaardewerk ontleent zijn naam aan de wijze van aanbrengen van de versieringen. Met een spatel of een mes worden op regelmatige afstanden langwerpige kerfsneden gemaakt in de nog zachte klei van de pottenbakker. Na het penselen van de gekleurde glazuurlaag wordt de vaas afgebakken in de oven.
Op een verkoopdag in een plaatselijke kerk heb ik een kerfsneevaas gekocht met een interessante inscriptie op de onderzijde.
De tekst eronder interesseerde mij omdat ik een aantal maanden voor het einde van de Tweede Wereldoorlog vanuit Rotterdam in Vollenhove bij een boer op de weg naar Sint Jansklooster was ondergebracht (thans een mini-camping). Ik heb de Bevrijding meegemaakt in Vollenhove en heb gezien dat de Canadese of Engelse militairen op het bordes van het toenmalige gemeen-tehuis stonden. Een broer van mij was ondergebracht bij oom Jan Boersma en tante Trien die met hun skûtsje in de haven van Vollenhove lagen. Hij was een broer van mijn moeder. Een dochter van hen, Engelien Boersma heeft na de oorlog nog het Oorlogsherinneringskruis gekregen en woonde in Vollenhove. Wat haar verdiensten zijn geweest weet ik niet.

Ik ben maanden voor het eind van de oorlog vanwege de hongersnood met een buurmeisje vanuit Rotterdam lopend naar Zwolle gegaan en we hebben daar vier of vijf dagen over gedaan. Eerste dag naar Gouda alwaar wij onderweg een bombardement meemaakten en naar het ziekenhuis van Gouda zijn overgebracht. De dag erna zijn we naar Amersfoort gelopen en bij een neef van mij ondergebracht. Toen naar Nunspeet en in een school geslapen. Vandaar naar Zwolle; aan de overkant van de brug over de IJssel werden we door de Duitsers tegengehouden, mochten niet verder, zijn stiekem van de brugtalud afgesprongen en door de uiterwaarden bij de sluis bij Onderstaand artikel is voorjaar 2017 geplaatst in het cultuurhistorisch tijdschrift Rondom Schokland. Omdat dit artikel een vraag bevat over Kuinre leek het de redactie van De Silehammer gepast om het ook te plaatsen. Wie weet levert het nog wat op. Reacties graag naar Linda Polderman Katerveer terechtgekomen en van daar naar een oom en tante in Zwolle. Toen nog naar Vollenhove alwaar ik bij de familie Prins werd ondergebracht, hetgeen vermoedelijk door mijn oom en tante in Vollenhove was geregeld.
Kan me ook nog goed herinneren dat er langs de vaart naar Emmeloord een NSB-kamp was en toen we daar langs voeren een twintig- tot dertigtal NSB-mannen verplicht het Wilhelmus moesten zingen. Na de bevrijding van het westen ben ik uiteindelijk weer met mijn ouders vere-nigd die ik al die tijd niet had gezien noch gesproken.

Oproep
Als u iets meent te weten over deze kerfsneevaas of hoe deze vaas op een kantoor (welk kantoor??) in Kuinre terecht is gekomen tijdens de Tweede Wereldoorlog, neemt u dan contact op met Linda Polderman. Zij zal zorgen dat deze informatie terechtkomt bij Henk Roersma in Lunteren.

Kuunders Kwartiertje juni 2017

Eerder geplaatst in HVIJ-kwartaalblad De Silehammer 18/4 (december 2010).
Via de website kwamen we in contact met Cyp van de Bult uit Oegstgeest. Hij heeft een dagboek van zijn opa Ciprianus Egbartus van de Bult (roepnaam Cip), zoon van Bartholomeus Berends van de Bult en Fetje Sipkes van Koersveld, geboren op 8 februari 1865 te Slijkenburg, overleden op 11 oktober 1917 in Veghel. Cip is op 24 juni 1892 te Kuinre gehuwd met Agnes Beld, dochter van Antonius Harms Beld en Christina Anna Peel; Agnes, geboren op 3 juli 1866 te Kuinre, is overleden op 1 februari 1941 in Nijmegen.
We hebben een gedeelte uit zijn dagboek mogen ontvangen, het betreft de periode januari 1888 tot en met januari 1889. Dit hebben wij getranscribeerd en zo kregen we een beeld van hoe het in die tijd er aan toe ging in Kuinre. Cip kreeg op 12 april 1888 een benoeming voor “buitengewoon opzichter v/d waterstaat; bij de werken van den waterweg langs Rotterdam naar Zee, ter standplaats Maassluis.” Kort na zijn benoeming verhuist hij in zijn eentje naar Maassluis. Vanaf die tijd schrijft hij veel over zijn werk in Maassluis met af en toe aantekeningen dat hij naar Kuinre gaat voor familiebezoek.
Foto: Egbartus Ciprianus van de Bult
uit de collectie van Cyprianus van de Bult, Oegstgeest.
Het nummer aan het begin van de regel is de datum, de tekst is geschreven zoals in het dagboek. De tekst tussen haakjes is ter verduidelijking van het dagboek.

Januari 1888

1. Het 50 jarig Priesterschap van Z.H. Leo XIII op plechtige wijze in de kerk gevierd. [Zijne Heiligheid paus Leo XIII]
3. Gerardus Postma begraven. Overleden 31 dec. 1887.
5. Andries Hardenberg begraven. Overleden 31 dec. 1887. Bij T.E. van Koersveld op Slijkenburg heb ik gegeten. [voogd, stiefgrootvader]
6. Mie de Jong, huisvrouw van Wouter Brandsma, overleden, 39 jaar. Met kaartspelen heb ik thuis in gezelschap van J. van Someren, W. de Zwart, R. van Koersveld en M. Peereboom de avond heel gezellig doorgebracht.
7. Machiel Peereboom (bovengenoemd) naar Amsterdam vertrokken.
10. M. de Jong begraven. Hedenavond waren R. v. Koersveld en ik bij A. Inwerda verzocht welk bezoek wij hebben afgelegd; ’s nachts 3 uur zijn wij huiswaarts gekeerd.
17. Op schaatsen over zee Blokzijl bezocht.
18. Met Agnes Belt over ijs naar de Lemmer geweest.
19. Hardrijderij vanwege de ijsclub “Hulp der Behoeftigen”, gehouden op een trekgat bij G. Bouma, met Agnes Belt bijgewoond.
22. De avond met H. en G. Doedel bij G. Bouma doorgebracht.
24. De vergadering van de ijsclub “Hulp der Behoeftigen”, bij T. v.d. Lende te Slijkenburg gehouden, bijgewoond.
30-31. Heb ik vertoefd bij T.E. van Koersveld op Slijkenburg.

Februari 1888

4.
Met M. Peereboom, E. Peereboom en R. van Koersveld bij J. van Someren geweest.
9. Ongeveer 6 uur namiddag, had bij Kuinre eene groote vechtpartij plaats, van Kuindersche jongelui, die terugkomende van de Lemmer, genoemde plaats op schaatsen hadden bezocht, in welke vechtpartij Salomon de Vries ernstige verwondingen aan het hoofd bekwam, toegebracht door slagen met schaatsen waar van zijne tegenpartij gebruik maakte. Door op het gerucht toegesnelde lieden uit het dorp werd de Vries van zijne vijanden gescheiden en bij P. Doedel in huis gebracht, alwaar Dr. Peel die inmiddels werd geroepen, de wonden heeft verbonden. Uitgeput door vermoeienis van het vechten en verzwakt door het bloedverlies was hij niet in staat alléén huiswaarts te keeren, niet dan door de hulp van een paar mannen had de overbrenging plaats.
12. Op grond van mijn verjaardag ll. zijn hedenavond G. en D. Bouma en Felicula Tromp ten onzent verzocht. [ll. = laatstleden; 8 februari]
13. Hielke Buisman overleden.
14. Its Beersma begraven. [Ids]
17. Hielke Buisman begraven.
15-17 Bij G. Kemme te Scherpenzeel doorgebracht.
19. R. van Koersveld naar Amsterdam vertrokken.
21. Nikolaas Douma Mz. overleden 8 jaar oud.
24. Nikolaas Douma begraven. Ook ik heb de plechtigheden der begrafenis bijgewoond. [Nicolaas Everhardus Douwma]
26-27 R.van Koersveld (vrouw Kemme) bij ons gelogeerd. Gedurende de tien laatste dagen dezer maand, was het verschrikkelijk koud. Zoover men zien kon is de zee met ijs bedekt. Enkele lieden trachten met het visschen op spiering nog iets te verdienen, maar de koude noodzaakt hen spoedig huiswaarts te keeren. T is te begrijpen, dat met het oog hierop van goede vangst geen sprake kan zijn.

Maart 1888

1.
Op schaatsen over het Kanaal naar Slijkenburg geweest.
2. Het klimaat is veel zachter dan eenige dagen te voren; het ijs dooit snel weg.
4. Eene groote massa ijs is boven op het havenhoofd geschoven, door den zwaren last zijn de paalrijen uit den loodrechten stand gebracht.
5. Heden nacht heeft het nogal sterk gevroren.
6. Verkiezing voor de leden der Tweede Kamer. Zooals gewoonlijk bevelen de verschillende kiesvereenigen de door hen gestelde kandidaten ten zeerste aan.
7. F. Tromp is heden naar Assen vertrokken ten einde aldaar examen af te leggen voor nuttige handwerken. 8. G. Tromp heden naar Assen vertrokken zijne dochter F. Tromp op deze reis vergezellende. Zijne vrouw is ongesteld. Verhuring van sleeping achter Kuinre.
9. F. Tromp legt heden bovengenoemd examen af. Het ijs in de Linde en in het Kanaal begint te ruimen, uitgezonderd enkele plaatsen zijn deze wateren tot Slijkenburg bevaarbaar.
10. F. Tromp van Assen teruggekomen. Zij is niet geslaagd. Drie personen zijn deze week overleden namelijk: de echtgenoote van J. de Lange, Piet Molenberg en een kind van J. de Jong.
11. Het ijs in de Linde is totaal opgeruimd. De Zwolsche beurtschippers M. Fledderus en G. Kok zijn van hunne eerste reis terug; dit reisje heeft ruim één maand geduurd.
12. Verjaardag van den Eerw. Heer Pastoor C.G. Muiteman. Vrouw de Lange begraven.
13. P. Molenberg en het kind van J. de Jong begraven.
15. Heden hebben W. en T. de Zwart te Heerenveen terecht gestaan wegens mishandeling van Salomon de Vries op 19 januari ll. De eisch was 15 dagen gevangenisstraf. Sedert een paar dagen is het weder erg koud geweest; er woei een sterke oostenwind terwijl van tijd tot tijd zich sneeuwbuien ontlastten. De zee is nog met een massa drijfijs bedekt.
17. Heden nacht is er een groote hoeveelheid sneeuw gevallen, waardoor de straat met een tamelijk dikke laag bedekt werd, tot welker verwijdering verscheiden arbeiders werden aangesteld, die van gemeentewege betaald werden.
20-21. Deze beide dagen was het verschrikkelijk koud, de koude ging gepaard met hevige sneeuwstormen. Op sommige plaatsen passeerde men de Linde en het Kanaal over het ijs. Boelgoed bij P. Fledderus en F. Buisman op Slijkenburg bij laatstgenoemde heb ik nog een fornuis gekocht voor f 3,83. 21. Op Slijkenburg geweest.
23. Het weder is veel zachter dan voor enkele dagen. In zee is nog veel ijs, verscheiden mannen zijn bezig met spiering visschen; naar ik hoor laat de vangst nog veel te wenschen over. Gisteren reeds ontwaardde men twee schepen op zee, die blijkbaar tusschen het ijs beklemd waren. Volgens verklaring van sommigen hebben deze vaartuigen al een week lang op die wijze rondgedobberd en moet de toestand van de schepelingen verschrikkelijk zijn. Enkele visschers vormden het plan om zoo mogelijk de schepen te bereiken; het bleef echter nog bij het voorstel.
24. Hedenmorgen ontdekte men, dat de schepen zich over een groote afstand hadden verplaatst. Het bovengenoemde plan werd uitgevoerd, elf Kuindersche visschers staken met een punter van wal, na eene voorraad eetbare waren te hebben scheepgenomen. Ondanks de vele moeielijkheden gelukte het de visschers de schepen te bereiken. De toestand der schepelingen was niet zoo erg als deze te voren werd afgeschilderd, zij hadden nog voldoende proviand aan boord, toch was het bezoek der visschers hun hoogst welkom zooals te denken is. Niet alleen bij ons maar ook te Blokzijl had men de schepen bemerkt, vanuit dit plaatsje werd ook hulp uitgezonden bestaande in twee stoombooten, die in den loop der namiddag de schepen bereikten; het hoofddoel dezer zending was om zoo mogelijk de vaartuigen uit het ijs te verwijderen en naar Blokzijl te slepen. Daar de kans daartoe gunstig was, werd er oogenblikkelijk werk van gemaakt; de visschers brachten de trossen aan boord van de booten. Na alles voldoende te hebben bevestigd ging het vooruit, daar het ijs de doortocht nog al belette was de snelheid in den beginne niet heel groot, deze vermeerderde allengs naarmate men het open water bereikte. Zoodra de doortocht door het ijs had plaats gehad en dus de schippers verlost waren, zag men de noodvlag uit de masten verdwijnen, en in plaats van deze eenige oogenblikken daarna de driekleur wapperen. Omstreeks 5 uur waren de booten met de beide vaartuigen te Blokzijl; en om een uur of zeven arriveerden onze visschers, die natuurlijk door een menigte belangstellenden werden opgewacht.
27. Hedenmorgen ontving ik een schrijven van den Hoofd-Ingenieur Leemans te Rotterdam, mij verzoekende op zijn bureau te verschijnen, wanneer ik voor bw-opzichter van den waterstaat in aanmerking wenschte te komen. Onmiddellijk na ontvangst van genoemd bericht, ben ik vertrokken, en was ongeveer 5 uur te Rotterdam. Omstreeks 6 uur was ik op het bureau van Zw. Ed. Gestr. Nadat Zw. Eg. mij naar de vereischte inlichtingen had gevraagd, noodig om op de voordracht voor bron opzichter bij den Rotterd. Waterweg gesteld te kunnen worden, gaf genoemde heer mij te kennen, dat hij mij bij den Minister zoude voordragen. Van de beschikking van Z. E. hangt dus af of ik aangesteld word of niet. [afkortingen: Zeerweldedelgestrenge; gangbaar Weledelgestrenge]
28. Hedenmorgen 8u.30 uit Rotterdam vertrokken; ongeveer 1 uur was ik te Wolvega, vanwaar ik met W. Kroes naar Kuinre ben gereden, en om 7 uur thuis was. Voor het eerst van dit jaar zijn er vaartuigen uit zee in de haven gekomen. Om reden dat de haven te Lemmer nog met ijs is bezet, passeeren hier al de schepen die anders de Lemmer zouden binnenloopen.
25. P.S. Bij gelegenheid van eene repetitie gehouden 12 Maart j.l. waarbij Zw. E.H. Pastoor ook tegenwoordig was, die op genoemden datum verjaarde, werden wij (de koristen) na Z. Eerw. onze gelukwenschen te hebben aangeboden, verzocht, dit feest op een nader te bepalen avond, aan de pastorie te vieren. De viering heeft den hedenavond plaats gehad. Wij allen J. van Someren, J. Peters. A. en G. Doedel, G. Doedel Lzn en ik hebben de avond bij Zw Eerw. heel genoeglijk doorgebracht. [afkortingen: Zeer(wel)eerwaarde Heer; gangbaar Weleerwaarde]
Foto: Angnes Bed, dochter van Antonius Harms Beld en Christina Anna Peel
uit de collectie van Cyprianus van de Bult, Oegstgeest.

Kuunders Kwartiertje maart 2017

Toen op 9 september 1942 de Noordoostpolder officieel droog werd verklaard, begon het inrichten van het landschap. Vele pioniers trokken, eerst vanuit de kampen rondom de polder en later ook vanuit kampen in de polder, het nieuwe land in om het doel, het verwerven van nieuwe cultuurgrond, te verwezenlijken. In de polder vonden zij, naast vergane schepen en vliegtuigwrakken, de resten van de Kuinder burchten. Ook werden bij Kuinre de overblijfselen teruggevonden van de Kuinder Schans die in 1675 door de Münsterse troepen was veroverd en verwoest. Eén van die overblijfselen was de waterput en hier begint het verhaal van de Kuunderse Klonten.
Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog waren de pioniers bezig alle “oude rommel” netjes op te ruimen om zoveel mogelijk land geschikt te maken als cultuurland. Eén van die pioniers was Jos Rommens die, net als de andere pioniers die wat bijzonders vonden, wel eens wat mee naar huis nam. Zo belandden de stenen van de put van de Schans van Kuinre bij de familie Rommens in Marknesse. Via Jos kwam één van de stenen terecht bij collega pionier Henk te Raa uit Nagele die de steen op zijn beurt aan zijn zoon Harrie in Blankenham gaf. Omdat Harrie vindt dat die steen in Kuinre thuishoort, heb ik de steen gekregen om er een mooie plek voor te zoeken. Enkele stenen van de put zijn in bezit gekomen van diverse oude pioniers maar het merendeel ligt nu bij Museum Nieuw Land in Lelystad. In die met zand gevulde put werd ook een dichte fles gevonden waarin een papier bleek te zitten met daarop, in Oudspaans, een beschrijving van de omgeving en een recept. Deze teksten heb ik met wat moeite kunnen vertalen. De eerste tekst beschreef de omgeving van Kuinre als nat en modderig en de rest bleek te gaan over een soort gemalen en gekruid vleesrecept.
4000 g carne magra de ternera picada, sal de ajo, perejil etc. Omdat de HVIJ elk jaar ter gelegenheid van het Kerstrondje een gerecht, gemaakt volgens een oud recept, presenteert aan de bezoekers, is dit oude recept op 19 december 2015 gebruikt. Aangezien de fles is gevonden in Kuinre en de omgeving van Kuinre als nat en modderig werd beschreven, is aan dit gerecht de naam Kuunderse Klonten gegeven. Daarbij moet worden opgemerkt dat “kluiten” in Kuinre en omgeving “klonten” worden genoemd.

Het recept van de Kuunderse Klonten
In het recept werden grote hoeveelheden genoemd, waarschijnlijk omdat er voor vele manschappen werd gekookt. Het staat u vrij om de hoeveelheden aan uw eigen situatie aan te passen. Omdat niet alle genoemde ingrediënten exact te vertalen waren, is geprobeerd nu verkrijgbare en vergelijkbare ingrediënten te vermelden.
Recept:

  • 4 kilo gehakt
  • 6 eieren
  • 2 rollen beschuit
  • 10 sjalotten
  • 2 bolletjes (geen teentjes!) knoflook
  • tijm, peterselie, munt, oregano, kerriekruid, peper, zout
NB: bedoeld is het kerriekruid, Helichrysum italicum. Niet het - vaak scherpe - kerriepoeder, een gemengde specerij met o.a. blad van de kerrieboom. En beslist ook niet te verwarren met de sierheester Kerria japonica! Alle ingrediënten worden zo nodig fijngemaakt en gemengd met het gehakt. Daarna kunt u er ballen van de door u gewenste grootte van rollen en braden als gehaktballen. Zoals u hebt gelezen, gebruikten de Spanjaarden in Kuinre kruiden die in die tijd hier niet bekend waren. Waarschijnlijk werden die meegenomen uit hun vaderland of tijdens hun tocht naar het noorden verzameld. Op die manier waren ze toen in staat hun voedsel meer smaak te geven dan de mensen uit Kuinre zelf. In deze tijd hebben wij weer wat voor op de Spanjaarden. Wij hebben gehakt van André Mulder! Namens de HVIJ wens ik u smakelijk eten.
De steen uit de waterput.

Naschrift:
Dit verhaal bevat een groot aantal feitelijke en historisch juiste gegevens. Een ander deel van het verhaal “had zo kunnen zijn”.

Kuunders Kwartiertje mei 2016

In het Kuunders Kwartiertje van december 2015 staat een artikel geschreven door ir. Y. Kroes (†). Deze artikelen zijn in 1997-1998 geplaatst in ons kwartaalblad De Silehammer en door ons integraal overgenomen, afgezien van duidelijke verschrijvingen. Naar aanleiding van dit artikel kregen we een reactie van de heer Daan Verhulst uit Steenwijk. Het gaat om onderstaande alinea:

Gereformeerden (synodaal)
De gereformeerden hadden weer eens de beschikking over een eigen kerkgebouw, doch deze groepering was betrekkelijk klein van omvang. Na de oorlog is het kerkje afgebroken en is er een woonhuis voor in de plaats gekomen. De gereformeerden kregen toen de beschikking over een kerkgebouw in het Vijverpark doch heeft dit overgedaan aan de RK-parochie toen deze niet meer terecht kon in de Sint-Nicolaaskerk. De gereformeerden hebben vervolgens aansluiting gezocht bij hun geloofsgenoten in Luttelgeest en gingen daar ter kerke.

De heer Verhulst schrijft het volgende:
“Na de oorlog werd hun kerkje afgebroken en is er een woonhuis voor in de plaats gekomen.” Welnu, het eerste is juist, het tweede niet. Dat perceel ligt zelfs nu nog braak. Ga maar na. Op nummer 111 woont Van den Akker. Het volgend nummer is 115 en daar woont de familie Paulusma. Mijn ervaring is de volgende. Toen ik in de jaren vijftig in Kuinre verbleef, stond naast 111 het kerkje. Daarnaast een oude schuur met landbouwmaterialen van de fam. Oosting (Jenne en Jaap). Daarnaast is op 115 de fam. Lebbink. Ik weet nog dat het kerkje werd gesloopt, want op 111 woonde een oom van mijn vrouw, wiens tuintje ik altijd onderhield. Toen het kerkje weg was, mocht ik ook die ruimte voor hem bewerken. Het enige wat werd gebouwd, was een erker of serre aan de zijgevel van Lebbink, die er meen ik nog is. Kortom, die twee percelen zijn nimmer bebouwd. Ik denk zelfs dat er ook nu nog op gebouwd mag worden, tenzij ze verkocht zijn aan de bewoners van 111 en 115.

In MFA De Botter hangt een plaat met alle huizen/bewoners rond 1942. Gemaakt door Abele Wietsma. Daar staat duidelijk op dat de Gereformeerde kerk aan de straat stond en daarachter een huis van de postbode en koster Albert Pereboom. Op het perceel waar nu de serre is van fam. Pau-lusma stond de schuur van fam. Oosting. Nadat deze is afgebroken, heeft de heer Lebbink zijn eigen perceel vergroot door dit stuk erbij te trekken. Het perceel dat nu gras is naast nr. 111 wordt door de heer Van den Akker gehuurd van de gemeente.

Kuunders Kwartiertje februari 2016

Bestuur
In 1811 ontstond de gemeente Kuinre en Blankenham onder leiding van een schout. Zeven jaar later werden Blankenham en Kuinre afzonderlijke gemeenten met gezamenlijk één burgemees­ter, dus een soort “personele unie”. Evenals andere gemeenten werd Kuinre bestuurd door het gemeentebestuur met aan het hoofd de burgemeester. Het secretariaat van de gemeente was ondergebracht in een oud historisch gebouw, voorzien van toren, torenklok en wijzerplaten, gebouwd in 1776. Oudtijds had het onderste gedeelte van het gebouw dienst gedaan als boterwaag. Het gemeentepersoneel werkte op de eerste verdieping, waar ook de burgemeester zijn kamer had. De enige politieman die het dorp telde en die zorgen moest voor orde en rust kwam dikwijls een kijkje nemen op het gemeentehuis, eventueel voor rapportage en instructies. De gemeente had twee man in de buitendienst, die zeer belangrijke werkzaamheden verrichtten. Zij hadden tot taak om van het hele dorp het huishoudelijk afval inclusief de faecaliën (men had nog het tonnetjessysteem) door middel van een tweewielige kar naar de “keviet” te brengen; een afgesloten stortplaats aan de Linde tussen Kuinre en Slijkenburg. Behalve dat het onaangenaam werk was, was het tevens zwaar werk. De kar werd door één persoon door middel van een zeel getrokken terwijl de ander moest duwen en sturen. De twee mannen waren niet alleen verantwoordelijk voor verwijdering van het huishou­delijk afval, doch ze moesten ook de straten schoon houden, veelal met verwijdering van het gras dat tussen de stenen groeide. Eén van hen was bovendien dorpsomroeper en verzorgde nog het noodzakelijk onderhoud van de algemene begraafplaats. Veel mensen hebben dikwijls de overtuiging gehad dat deze belangrijke te verrichten werkzaamheden door deze mannen niet altijd naar waarde werden geschat.

Kerken
In Kuinre waren drie kerkgenootschappen.
Nederlands-hervormden
Deze protestants-christelijke groepering was de grootste in omvang en de kerkdiensten werden (en worden nog steeds) gehouden in een groot ruim oud kerkgebouw dat gebouwd is 1678-1681. Het interieur van de kerk was betrekkelijk eenvoudig, doch stijlvol. De bewerkte houten preekstoel bevond zich aan de westzijde van de kerk, een gedeelte waar zich ook het doopvont bevond alsmede de banken van het kerkbestuur en de diakenen. Dit gedeelte van de kerk was afgesloten door een houten hekwerk. Een tweetal bewerkte gebogen koperen poortjes gaf toegang tot dit kerkgedeelte. Aan de oostzijde bevond zich de consistoriekamer en het orgel. In de kerk zelf waren ter decoratie drie handgemaakte modelschepen opgehangen die uiteraard tevens de verbon­denheid van het dorp met de zee- en scheepvaart symboliseerden. De kerk is in 1985/86 gerestaureerd en doet dienst als vanouds. De predikant woonde in de pastorie, een flink herenhuis ongeveer midden in het dorp [nog steeds: Henric de Cranestraat 107 – red.].
Rooms-katholieken
Begin negentiende eeuw had de rooms-katholieke parochie een kerkgebouw op het Noordeinde van het dorp. Deze kerk heeft nogal veel schade opgelopen bij de stormvloed van 1825, doch is na het nodige herstel in gebruik gebleven tot 1870. In dat jaar kwam na vrijwel volledige nieuwbouw een kerk tot stand gewijd aan de heilige Nicolaas. In veel plaatsen gelegen aan de Zuiderzee zijn kerken gebouwd die gewijd zijn aan Sint Nicolaas, de beschermheilige van o.a. de zeevarenden. De rooms-katholieke parochie had in Kuinre een behoorlijke grote omvang mede ook doordat een flink aantal mensen van buiten het dorp, met name van de Overijsselse Lindedijk en aang­renzend Friesland, bij de parochie behoorden. De kerk was ten dele achter de nogal statige, mooie pastorie gebouwd, die zelf aan de straatzij­de stond. De kerk had een flinke omvang. De bewerkte houten preekstoel bevond zich aan de westzijde, het nogal omvangrijke altaar aan de zuidzijde. Achter een met smeedijzeren hekwerk afgesloten ruimte was plaats voor het doopvont en enige relikwieën. Aan de noordzijde was het orgel geplaatst. Naast meerdere kandelaren en beelden o.a. van de heilige Nicolaas, bevonden zich aan de wanden van het kerkgebouw diverse schilderijen die de kruisgang van Christus in meerdere staties weergaven. Het kerkgebouw kon van de straatzijde worden betreden via een hoog ijzeren hek en een zeer zwaar beslagen dikke houten deur. Links van de toegangsdeur was een groot raam aangebracht met voorstellingen in gekleurd glas-in-lood. De kerk zelf was voorzien van een toren met wijzerplaat, luidklok en een vrij hoge torenspits. Het geheel gaf een zeer positieve bijdrage aan het dorpsbeeld. Tegenover de kerk en de pastorie was een uitgebreide tuin aangebracht met bomen, struiken en bloeiende planten, waar de pastoor desgewenst uitgebreid kon brevieren voor de voorbereiding van zijn kerkdiensten. Helaas zagen het kerkbestuur en de parochie zich genoodzaakt uit zorg voor te verwachten zeer hoge onderhoudskosten op korte termijn kerk en pastorie van de hand te doen, met inbegrip van vele onderdelen van het interieur. Dit was omstreeks 1970. Momenteel houdt de RK-parochie diensten in een kerkgebouw in het Vijverpark [inwijding 1 oktober 1969 door kardinaal Alfrink - red.].
Gereformeerden (synodaal)
De gereformeerden hadden weer eens de beschikking over een eigen kerkgebouw, doch deze groepering was betrekkelijk klein van omvang. Na de oorlog is het kerkje afgebroken en is er een woonhuis voor in de plaats gekomen. De gereformeerden kregen toen de beschikking over een kerkgebouw in het Vijverpark doch heeft dit overgedaan aan de RK-parochie toen deze niet meer terecht kon in de Sint-Nicolaas kerk. De gereformeerden hebben vervolgens aansluiting gezocht bij hun geloofsgenoten in Luttelgeest en gingen daar ter kerke.
Zondagsschool
Naast de genoemde kerkgenootschappen willen we ook de Zondagsschool noemen die onder leiding stond van met name de familie Jan Ruiter. De Zondagsschool was ondergebracht midden in het dorp in een nogal oud woonhuis, dat voor een deel nog bewoond was. Vrijwel alle jongeren van niet RK-huize gingen zondagsmiddags naar de Zondagsschool. Om toegelaten te worden moesten de kinderen ten minste vier jaar en maximaal dertien/veertien jaar zijn. De familie Ruiter heeft belangeloos zich grote offers getroost, gedurende vele tientallen jaren om iedere zondagmiddag diensten te houden voor de kinderen, gesplist in een groep jongeren en een groep ouderen. Met grote inzet, overtuiging en toewijding werden de kinderen beziggehouden. Daar ook alle werkzaamheden die verbonden waren aan de jaarlijkse organisatie van het kerstfeest, en wel gedurende twee avonden, uitgevoerd werden door de familie Ruiter, dan past hier, zij het postuum, een woord van grote dankbaarheid en lof aan het adres van deze familie.

School
In het dorp Kuinre stond één school, een openbare lagere school waar alle kinderen van alle kerkelijke richtingen naar toe gingen. Het gebouw was langgerekt van vorm en was geplaatst in het noordelijk gedeelte van het dorp. Er waren drie volledige leerkrachten die ieder de beschikking hadden over een eigen lokaal. Het aanwezige vierde lokaal had diverse andere bestemmingen.

Elektriciteit Een medewerker van de KEMA heeft mij gewezen op het feit dat in het gedenkboek “De ontwikkeling van de electriciteitsvoorziening van Nederland tot het jaar 1925” vermeld wordt, dat door het leggen van een kabel van Hengelo via Oldenzaal-Fleringen naar Almelo tevens gelegenheid was geboden tot stroomlevering aan Weerselo, Denekamp en Tubbergen, welke plaatsen evenals Blokzijl, Staphorst, Nijeveen, Havelte “en Kuinre in 1922 werden aangeslo­ten”. Voor stroomleverantie zorgde de NV Elektriciteitsfabriek “IJsselcentrale” te Zwolle. In een schrijven van april 1922 aan Burgemeester en Wethouders der Gemeente Kuinre wordt door de IJsselcentrale een exploitatierekening betreffende de eventuele ombouw en het in bedrijf nemen van het bestaande elektriciteitsnet van de gemeente in aansluiting op het net van de IJsselcentrale, aangeboden. Kuinre had dus reeds elektriciteit in 1922 en ook al elektrische straatverlichting. De IJsselcentrale biedt aan om een hoogspanningsinrichting met transformator op te stellen in de weer in goede staat te brengen oude centrale. Voor de straatverlichting zullen de bestaande wandarmen benut worden. De straatverlichting zal automatisch worden ontstoken en gedoofd door middel van een schakelklok. Alle huisaansluitingen, welke in ijzer uitgevoerd zijn, zullen worden vernieuwd. In 1924 verzoekt de gemeente Kuinre bij de Gedeputeerde Staten van Overijssel vergunning te verlenen om een kabel aan te leggen in de Lindedijk voor overbrenging van elektrische stroom naar het watergemaal van het Waterschap Rondebroek. Waterleiding Drinkwater en water voor menselijk gebruik bestond vroeger veelal uit opgevangen regenwater. Dit regenwater werd geleid in gemetselde regenbakken van verschillende grootte. Aangezien lang niet alle panden de beschikking hadden over een regenbak, werd ook wel regenwater opgevangen in regentonnen, waarvan de capaciteit klein was. In droge perioden waren diverse gezinnen aangewezen op “burenhulp”, hetgeen veelal geruis­loos verliep. In het begin van de jaren twintig stond er op het pleintje voor de Hervormde Kerk aan de noordzijde een gemetselde regenbak met overkapping en met putemmer, ketting en zwengel. Deze regenbak was voor algemeen gebruik. Het is bekend dat regenwater niet altijd hygiënisch is. Niet tegenstaande het feit dat de regenbak­ken regelmatig werden schoongemaakt (althans behoorden te worden schoongemaakt) kwamen nog wel eens ongerechtigheden in het water voor, zoals de rode waterluis. Men zeefde dan het water door een theedoek en hoewel niet alle luizen werden uitgezeefd, werden vele op de wijze verwijderd. Na het zeven werd het water veelal eerst gekookt alvorens voor menselijke consumptie aan te wenden. Sommige families deden een zeelt in de regenbak om zodoende kleine dierlijke en plantaardige organismen te bestrijden. In de loop van 1931 waren de voor de Waterleiding Maatschappij Overijssel (WMO) gepro­jecteerde werken voor Noordwest-Overijssel gereed gekomen. Er moesten nog enige dienstleidingen worden gelegd en er moest te Kuinre een secundaire watertoren worden gebouwd. Hieruit kan worden geconcludeerd dat Kuinre omstreeks 1930-1931 van waterleiding is voor­zien hetgeen van grote betekenis was voor de bevolking doch ook voor de veestapel. De bouw van de watertoren in Kuinre is in 1932 aanbesteed en het gebouw is in 1933 klaarge­komen. De hoogte van de toren bedraagt 35,45 meter boven het maaiveld. Er is één reservoir in met een inhoud van 120 m3; in vergelijking met andere torens niet zoveel. De hoogste winterstand boven het maaiveld bedraagt 31,75 meter. De architectuur van de toren vertoont nogal grote overeenkomst met die van de toren van Steenwijkerwold (1931) en Sint-Jansklooster (1932). Ir. H. Sangster, deskundige in het bouwen van watertorens, was destijds “de huisarchitect” van de WMO. De kans is derhalve groot dat hij ook het ontwerp van de toren in Kuinre heeft ver­zorgd. doch daar zijn geen concrete gegevens over. In ieder geval wil ik concluderen dat de watertoren te Kuinre een sieraad is voor het dorp en positief bijdraagt aan het dorpsgezicht.

Zuivelfabriek "de Fakkel", officieel in werking 19 februari 1889 onder directie van C. Treurniet. De eerste zuivelfabriek met als proef elektrische verlichting, blijkens landelijke krant Het Nieuws van de Dag d.d. 8 juni 1889 - red. Foto uit 1913

Kuunders Kwartiertje december 2015

Kruidenierszaken
Groot was het aantal kruidenierswinkels, doch slechts een enkele familie kon allen van de winkelinkomsten bestaan. Zeer velen hadden neveninkomsten, terwijl ook gecombineerde winkels voorkwamen, zoals kruidenierswa­ren met groente en fruit. Wekelijks werd door meerderen in het dorp gevent met groenten geladen op handkarren: aardappelen, koolrapen, wortelen, diverse koolsoorten en in het voorjaar en zomer spinazie, sla, radijs, rabarber, sperziebonen en uiteraard appels en peren. In bepaalde zaken werd slechts een zeer beperkt assortiment verkocht, bijv. alleen koffie, thee en tabaksartikelen, soms uitsluitend aardappelen. Klompen waren te koop in diverse winkels. Aan klompen was een grote behoefte, want vrijwel alle bewoners van het dorp, kinderen en volwassenen, droegen klompen. Om de gebruiksduur te verlengen, werden vaak stukjes rubber van oude autobanden of stukjes oud leer aangebracht op de zolen en hakken van de klompen. In de kruidenierszaken werd een veelheid van artikelen verkocht. Belangrijke producten waren o.a. groene erwten, bruine bonen, kapucijners, meel, suiker, stroop en groene zeep. Opvallend was het grote aantal onverpakte artikelen. De winkelier moest vaak het product afwegen en gebruikte voor de verpakking veelal grauwe of bruine papieren (punt)zakken. Stroop kwam in een door de klant meegenomen strooppot. Met een houten lepel werd de stroop op handige wijze vanuit het stroopvat gericht in de pot gebracht, die op de weegschaal stond. De winkelier mikte er nooit naast! Boeren en vissers moesten regelmatig dik, sterk touw gebruiken dat in een paar winkels werd verkocht, veelal per vaam (= 188 cm). In de toonbank was een kerf aangebracht die de lengte van een vaam aangaf zodat de klant op snelle wijze kon worden bediend.

Veehouderij
Een betrekkelijk groot aantal dorpsbewoners was betrokken bij de veehouderij. Er waren in het dorp ruim twintig boerderijen gevestigd en dat bracht uiteraard een grote bedrijvigheid met zich mee. In de weideperiode voor de koeien vertrokken de boeren omstreeks vijf uur ’s morgens met paard en wagen naar het land om de koeien te melken. Men moest door het dorp dus dat veroorzaakte nogal wat levendigheid op een relatief vroeg tijdstip. In het land aangekomen werden de koeien gedreven in een melkjister (een afgesloten stukje grond waar ze gedurende de melktijd bijeengehouden werden) [jister verraadt de Friese invloed in met name het Rondebroek – red.]. Er waren ook boeren die de koeien aan de wagen vastzetten zodat rustig kon worden doorge­werkt totdat de laatste koe gemolken was. Direct na het melken ging men naar de zuivelfabriek voor aflevering van de melk. Eenmaal per veertien dagen werd uitbetaald tegen een prijs waarin ook het vetgehalte van de melk was verwerkt. Behalve dat de boeren uit het dorp en naaste omgeving zelf tweemaal daags de aflevering van de melk naar de fabriek verzorgden, bestonden daarnaast zogenaamde melkritten. De melkrijders werden betaald door de zuivelfabriek, terwijl de fabriek de kosten weer in rekening bracht bij de aanleverende boeren. Er was een melkrit naar Blankenham en één voor aangrenzend Friesland. De melkrijders hadden de beschikking over een lange grote zeer zwaar uitgevoerde wagen getrokken door één of twee paarden. In de loop van de jaren dertig werden de melkritten uitgevoerd met vrachtauto’s.

Zuivelfabriek
Kuinre was een plaats waar landelijk gezien reeds op een betrekkelijk vroeg tijdstip een Zuivel­fabriek werd gevestigd. Het exacte jaar van vestiging is mij niet bekend doch het zal omstreeks 1890 zijn geweest dat de stoomzuivelfabriek “De Fakkel” de werkzaamheden begon. [bouw begonnen in 1888, fabriek geopend 19 februari 1899; uitvoerig in De Silehamer 15/2 t/m 15/3 – red.] De verwerking van de melk op fabrieksmatige wijze tot boter en kaas betekende een grote ommekeer op de boerderijen waar tot voor die tijd alle werkzaamheden voor de productie van zuivelproducten werden uitgevoerd. “De Fakkel” was een particuliere zogenaamde ‘speculatieve’ fabriek. Uiteraard was niet iedere boer direct genegen de melk aan de fabriek te leveren, doch bleef men eerst, soms zelfs geruime tijd, de ontwikkelingen volgen. Het duurde dan ook bij veel boeren lang voordat ze besloten het eigen gereedschap voor zuivelbereiding definitief van de hand te doen. Voor Kuinre was de zuivelfabriek zeer belangrijk in verband met de werkgelegenheid. Velen vonden er een vaste werkkring. Er was personeel nodig voor de melkontvangst en de verwer­king van de melk tot boter en kaas. De boter werd verpakt in kuipen en ook in kleinverpak­king. De kazen werden opgeslagen in een pakhuis en vroegen veel nazorg. Ook de machinekamer had personeel nodig. De gehele fabriek stond onder leiding van een directeur en een adjunct-directeur die tevens de beschikking hadden over enig administratief personeel. In de loop van de jaren dertig werd de zuivelfabriek van Kuinre verkocht aan de Lijempf (de Leeuwarder IJs- en Melkproducten Fabrieken), een particuliere handelsorganisatie, die meerdere zuivelfabrieken exploiteerde, vooral in de provincies Groningen, Friesland en Overijssel. In het algemeen gingen de werkzaamheden op de fabriek gewoon door, zij het onder andere leiding. Opvallend in die tijd was dat meerdere keren per jaar op basis van de beursnote­ring voor kaas te Leeuwarden op vrijdag het fabrieksproces werd omgeschakeld van kaasbereiding tot kaasstofproductie waarmee een ander eindproduct werd gemaakt. De fabrieksleiding was zeer slagvaardig. Voor deze omschakeling van het produc­tieproces werden vaklieden ingeschakeld om in de avond en nacht van vrijdag op zaterdag de nodige wijzigingen aan te brengen.

Boerenwerk
De boeren zorgden voor veel bedrijvigheid in het dorp. De boerderijen waren van verschil­lende grootte. Er waren eenmans-, tweemans-, doch ook enige driemansbedrijven. Voor de koeien die ongeveer van eind april tot eind oktober in het land liepen, moest gedurende de zomerperiode ruwvoer worden gewonnen. De meeste bedrijven hadden de beschikking over min of meer vaste huurpercelen of waren eigenaar van veelal een deel van het land dat geë­xploiteerd werd. Voor alle bedrijven was de bedrijfsoppervlakte vaak onvoldoende om te voorzien in het ruw­voer voor de winter. Echter, jaarlijks werden diverse percelen - meerdere honderden hectares - van de Buitenpolder achter Kuinre als hooiland verhuurd. De publieke veiling vond plaats in de Nieuwstadsherberg van de familie De Lange, die een boerderij van grote omvang exploiteerde. Reeds in de zeventiende eeuw was er sprake van een herberg op de Nieuwstad. Al enige weken voor de verhuring kwamen de boeren onder spanning. Welk perceel of welke percelen zou men kunnen huren en tegen welke prijs? Meerdere dagen voor de verhuring trok men de polder in om indrukken op te doen over het grasbestand van percelen waarvoor men eventueel belangstelling zou hebben, rekening houdend met ligging en prijs. Men had de beschikking krijgen over een boekje waarin de te verhuren percelen genummerd waren aangegeven, onder vermelding van eventueel naam en oppervlakte, of het perceel bemest was en of er verhuurd werd met inbegrip van al of niet het recht van nawei­de. De verhuring zelf stond onder leiding van de notaris uit Oldemarkt, bijgestaan door een paar administratieve krachten. De veiling was in handen van de afslager. Kennelijk een veelzijdig man want hij was o.a. schoenmaker, barbier, organist in de NH-kerk en lid van het kerk- en gemeentebestuur. De percelen werden verhuurd bij afslag en vooral de prijzen van de eerste percelen waren belangrijk als koersrichting. Wanneer die wat hoog uitvielen, ontlokte dit nog weleens enige agressie uit jegens de eerste “mijners”. Een afzonderlijke openbare verhuring vond plaats van de landerijen met naweide. [Afslager: Albert Boterkooper, 1880-1970; ook raadslid 1923-1941 en 1945-1946, vanaf 1931 wethouder – red.] Spoedig na de verhuring van de hooipercelen werd door de boeren begonnen met maaien. Dat gebeurde met de maaimachine getrokken door één of twee paarden. In de zoge­naamde vingerbalk van de maaimachine was een lang mes aangebracht dat eigenlijk bestond uit een groot aantal afzonderlijke driehoekige mesjes. De hoeken en bepaalde kanten van de percelen werden in handwerk met de zeis gemaaid. Dit vereiste grote vaardigheid en routine. Ook het aanscherpen van de zeis met haarspit en hamer was een kunst op zichzelf. Na enige dagen werden de gemaaide “zwaden” met een eenvoudige keermachine gekeerd. Bij het keren werd ook nog veel gedaan met een eenvoudige houten hark, dus met de hand, en dat beperkte zich meestal niet alleen tot de hoeken en de kanten van het perceel. Om goed hooi te maken moest er veel in gewerkt worden. Wanneer het hooi op het land voldoende droog was, werden de zwaden met de hooimachine, wederom door paarden getrokken, bij elkaar gebracht tot “zwillen”, ook wel “wiersen” ge­noemd. De wiersen werden vervolgens tot oppers geteemd, wederom met paardenkracht. Het hooi werd geladen op boerenwagens om vervolgens naar de boerderij te brengen voor inschuring of om het aan een mijt te zetten. De hooiperiode duurde ongeveer zes tot acht weken, afhankelijk van de weersomstandigheden. Wanneer het geruime tijd tegenweerde, werden veel boeren uit teleurstel­ling humeurig en chagrijnig. Er werd wel gezegd dat ze “weerziek” waren. De hooitijd was voor de boeren een zeer drukke periode. De oudere boerenjongens van de lagere school kregen vaak enige weken hooibouwverlof. Sommige boeren werkten samen om zodoende op efficiënte wijze de hooioogst voor elkaar binnen te halen. Er waren echter ook boeren die ieder jaar gebruik maakten van de diensten van “losse” arbei­ders. Veelal kwamen dezelfde arbeiders jaar in jaar uit bij dezelfde boeren, zelfs van generatie op generatie. Na lange en zware dagen en zeker zaterdagsavonds werd een borrel geschonken voordat de mensen huiswaarts keerden. Ik heb wel eens het verhaaltje gehoord dat een jongetje zaterdagsavonds zijn vader kwam ophalen. Die kreeg juist een borrel en dronk die op. Het jongetje vroeg: “Vader, wat is dat?” “Och niks jong”, antwoordde die, “het is “eulie”. Daarna volgde de tweede borrel, die ook nogal vlot achterover geslagen werd, waarna het jongetje opmerkte: “Vader lust wel eulie”. Na de hooioogst moest de mest naar het land worden gebracht. Een deel van de boeren van Kuinre verkocht jaarlijks de mest aan de gebroeders Zijlstra, die beiden, onafhankelijk van elkaar, de beschikking hadden over een flink groot schip van ongeveer 170 tot 180 ton [zie deel 2 – red.]. Van te voren werd akkoord gemaakt over de prijs, waarbij uiteraard rekening werd gehouden met de grootte van de veestapel die ’s winters op stal had gestaan. De betreffende mesthopen die allen in het dorp bij de boerderijen stonden, werden zomers stuk voor stuk in het daarvoor bestemde schip geladen. De Zijlstra’s hadden ieder jaarlijks ongeveer dezelfde medewerkers in dienst, mensen die met de werkzaamheden bekend waren en die zeer goed op de hoogte waren van de zware arbeids­prestatie die moest worden geleverd. Men maakte lange dagen en er moest veel spierarbeid worden verricht, soms onder zeer zware veelal warme omstandigheden. Nadat het schip geladen was, werd veelal koers gezet naar Friesland, waar soms nog wat bijgela­den werd. Na het Tjeukemeer, Lemmer, Amsterdam werd via de Ringvaart Haarlemmermeer de bollenvelden bereikt van Hillegom en Lisse. De bollenkwekers hadden behoefte aan dierlijke mest met weinig stro er in. In de nazomer maakten veel boeren één of meer kuilhopen. Het gemaai­de gras werd in meer of minder gedroogde toestand opgetast in ronde of rechthoekige hopen. Deze werden met zoden afgedekt om de hoop onder grotere druk te zetten ter bevordering van het conserveringsproces. De bedoeling was dat het ingekuilde gras spoedig een lage zuurgraad had bereikt, zodat melk­zuurgisting zou plaatsvinden. Om dit te bevorderen, werden wel middelen tijdens het inkuilen toegevoegd zoals karnemelk, melasse of verdund anorganisch zuur, doch dit gebeurde sporadisch. Meestal werden het “warme” nogal vochtige kuilhopen waar boterzuurgisting plaatsvond en die bij het voeren ’s winters aan de op stal staande koeien in en rondom de boerderijen een nogal doordringende geur verspreidden. Niet zelden werd deze geur ook waargenomen waar veel mensen bij elkaar waren o.a. bij boerenvergaderingen. In oktober moesten de sloten gehekkeld worden [opschonen met een hekkel, een vork met haaks op de steel staande tanden – red.] Toezicht op goed en op tijd uitvoeren (vóór november) van deze werkzaamheden werd uitgeoefend door het polderbestuur. Veel boeren waren weken bezig met deze nogal zware werkzaamheden. Eind oktober, begin november kwamen de koeien en het jongvee op stal, waar ze met hooi en kuilvoer werden gevoerd. Daarnaast moest het vee worden gedrenkt; dat gebeurde met volgepompte emmers water die naar de dieren moesten worden gebracht. Soms had men voor de rijen koeien een drinkgoot aangebracht die dan ’s morgens en ’s avonds volgepompt moest worden. Kalfjes werden vooral geboren tijdens de stalperiode. De hoogdrachtige en pas afgekalfde koeien kregen een extra rantsoen krachtvoer. Het meel resp. de koeken werden meestal betrokken van grotere meelleveranciers van buiten het dorp, al of niet met bemiddeling van twee plaatselijke voerhandelaren die vooral kleinere hoe­veelheden leverden.

Werkgelegenheid
De werkgelegenheid in Kuinre was beperkt in verhouding tot de bevolkingsgroei. Regelmatig vertrokken meisjes en jonge vrouwen naar elders (veelal West-Nederland) en werden vaak hulp in de huishouding. Ook jongemannen verlieten continu het dorp en vonden nogal eens werk bij de overheid of semioverheid (douane, politie, PTT, spoorwe­gen) doch ook bij diverse particuliere ondernemingen. Sommigen kregen een soort opleiding bij de zuivelfabriek en volgden op eigen initiatief bepaalde cursussen. Meerdere medewerkers hebben elders een betere positie gevonden via de opgedane kennis op de zuivelfa­briek. Sommigen zijn op deze wijze directeur of adjunct-directeur geworden van een zuivelfabriek elders.

Kuunders Kwartiertje augustus 2015